|
Met kar, trein
en boot naar de markt - 1915
 |
De veemarkten in Cuijk trokken in het begin van
de vorige eeuw honderden bezoekers. "Volgens officiële verslagen van het
ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel overtrof de aanvoer van vee op
de markt te Cuijk ver die van alle andere plaatsen in Noord-Brabant en
Limburg", schreef het gemeentebestuur in een in 1915 uitgegeven folder.
"Cuijk is de op één na voornaamste marktplaats in het gehele zuiden van
Nederland." Het gemeentebestuur prees Cuijk dan ook aan als "gunstig gelegen
aan de spoorlijn Nijmegen-Venlo en aan de rivier de Maas". In dat jaar
werden er zestien veemarkten gehouden en verder was er ook nog elke
donderdag een graan- en stoffenmarkt. Geen wonder dat het in Cuijk op
marktdagen een drukte van belang was. Boeren uit de regio kwamen meestal met
paars en kar naar Cuijk om vee te kopen of te verkopen. Ook van de trein
werd volop gebruik gemaakt. "Op alle marktdagen is aan het station van Cuijk
de gelegenheid tot verzending van vee", aldus het gemeentebestuur. "Er is
steeds een voldoende aantal wagons beschikbaar".
Verder was het mogelijk
om per boot via de
Maas te reizen en vee te transporteren. "Vanaf Ravenstein vaart de stoomboot
van H. Janssen. Deze boot komt om acht uur 's morgens in Cuijk aan en
vertrekt weer om twaalf uur. De boot van de firma Berger is om 8.15 uur in
Cuijk. Na afloop van de markt laat deze firma om 12.30 uur boten naar Venlo
en Rotterdam vertrekken. De aanlegplaatsen zijn in de onmiddellijke
nabijheid van het marktplein", somde het gemeentebestuur op. Ook
veehandelaren uit Noord-Limburg konden gemakkelijk de Cuijkse markt
bezoeken. "Op alle marktdagen loopt er een extra tram met veewagens van de
Maas-Buurtspoorweg vanaf Venlo tot aan Mook".
Om het bezoek aan de Cuijkse veemarkten te stimuleren, voerden de
spoorwegen enkele jaren later de goedkope marktkaart in. "Het
personenvervoer via het station in Cuijk is toegenomen", constateerde in
1924 een tevreden Cuijks gemeentebestuur.

"Ook het vrachtvervoer met de trein is gegroeid, alhoewel steeds vaker
vrachtwagens grote hoeveelheden goederen vervoeren".
Enkele jaren later breidde het gemeentebestuur het aantal markten in
Cuijk uit tot vierentwintig. Er werden toen bijna achtduizend runderen en
ruim twaalfduizend biggen verhandeld.
Bron:
Een eeuw
vooruit |
|
Vliegen zonder brandstof gaat niet -
1921 |
|

Piloot Wende, de ingenieurs Rethel en Keitel, NAVO-directeur
Jan van der Eijken en Dries Jetten bij een Parasol-eendekker |
| In 1920 richtte Jan van der Eijken in de exportslagerij van
zijn broer de NAVO op, de Nederlandsche Automobiel- en
Vliegtuig-Onderneming. Cuijk was een heuse vliegtuigfabriek rijker, al was
haar geen lang leven beschoren.
Direct na de capitulatie van Duitsland kocht Van der Eijken de licentie
om in zijn woonplaats een vliegmachine te mogen bouwen. Van de Condorwerke
nam hij bovendien in dienst ingenieur Keitel die er bedrijfsleider was.
Bovendien moest er gevlogen kunnen worden, dus bracht Van der Eijken ook
piloot Hans Wende mee naar Cuijk, samen met enkele een- en tweedekker
vliegtuigjes.
Het bedrijf maakte een veelbelovende start en begon zelfs met de aanleg
van een vliegterrein op het Maldens Vlak. De Echo schreef in juli 1920:
"Thans heeft de NAVO de beschikking over dertien vliegtuigen. Zij
demonstreert regelmatig met haar Parasol-eendekkers en Condor-tweedekkers op
haar uitgestrekt vliegterrein te Malden waar de hangars staan en waar ook
eerlang de vliegschool van de NAVO zal worden gevestigd". Om zich van de
nodige extra-inkomsten te verzekeren, werden op het terrein
vliegdemonstraties
gegeven met spiegelgevechten, passagiersvluchten en zelfs
een parachutesprong. Het publiek stroomde massaal toe om het schouwspel gade
te slaan. Jan van der Eijken werkte ondertussen koortsachtig aan de
ontwikkeling en bouw van een nieuw verkeersvliegtuig met een capaciteit van
vier passagiers. Hoe ambitieus zijn plannen waren, blijkt uit het feit dat
hij serieuze stappen ondernam om een regelmatige lijndienst tussen Cuijk en
Berlijn te gaan onderhouden!
In het voorjaar van 1921 moest piloot Wende een noodlanding maken met een
tweedekker. Op een van de testvluchten vanuit Cuijk over de Maas naar Malden
verloor het toestel hoogte en kwam neer op de Cuijkse veerstoep aan de Maas,
waarbij het staartstuk onder water geraakte. De piloot kon zonder problemen
uit het vliegtuig klauteren, de schade aan het toestel viel gelukkig mee.
Tot grote hilariteit van de Cuijkenaren bleek naderhand dat NAVO-directeur
Van der Eijken met zijn auto op weg van Cuijk naar Nijmegen vergeten was
benzine te tanken. Gemakshalve had hij brandstof uit het vliegtuig gepompt
en was vervolgens naar Nijmegen gereden.
En zo kwam het dat piloot Wende onbewust probeerde de Maas over te
vliegen zónder benzine! Was deze noodlanding een voorbode van het naderend
einde van de Cuijkse vliegtuigfabriek? Door geldgebrek en tegenvallende
verkoopresultaten viel al op 1 april 1921 het doek voor deze zeer
opmerkelijke onderneming.
Bron:
Een eeuw
vooruit |
|
Mechanische
pk,s winnen van het paard - 1922 |
|
 |
| Door de komst van de Noord-Brabantsch-Duitsche
Spoorwegmaatschappij ( NBDS ) en de Staatsspoorwegen ( SS ) is het leven in
onze streek in meer dan één opzicht veranderd. Welke zakenman kon vóór het
treintijdperk op een maandag heen en terug van Boxmeer, Cuijk of Gennep naar
de Rotterdamse graanbeurs? Welke voerman had het vóór die tijd in zijn hoofd
gehaald om stipt op tijd bij een laad- of losplaats te zijn? Waar had een
wagenman ooit gehoord dat hij een kwartier tijd had voor laden of lossen
had? Het karakter van een wagendienst als die van J. Meuws in Boxmeer en
G. Broekman in Gennep veranderde in snel tempo. Halen en brengen van klant
naar klant werd ondergeschikt aan halen en brengen van station naar
adressant. Het bedrijf ging werken volgens een vaste dienstregeling, een
nieuw, tot dan toe onbekend fenomeen. Het was met zijn vigilante voortaan op
tijd aan het station om de passagier(s) naar het hotel, het klooster, het
Oeffelts veer of het kasteel te brengen. In zomer en winter, bij zon, regen
of sneeuw, overdag en in het donker moest het rijtuig klaar staan.
Op het laad- en losperron stond het paard met de voerzak aan het hoofd en
lag de hond in de rosdoek geduldig te wachten tot de voerman graan, meel,
meststoffen of steenkool geladen had. Slepersbedrijf A. van Loon in Gennep
bijvoorbeeld bracht elke dag de bestelgoederen rond. De conciërge van het
hoofdkantoor van de NBDS ging tweemaal daags met zijn handkar naar het
Gennepse postkantoor om de post te halen en te brengen. Een postbeambte
maakte iedere dag twee keer met een handwagen de gang naar het station om de
poststukken af te halen of te bezorgen.
Na de start van de Maas-Buurtspoorweg in 1913 verandert bij een
wagendienst het grootste deel van het aanbod van vrachtvervoer in
bodevervoer. In 1922 rijdt Hen Thissen nog de bloempotjes van de fabriek in
Ottersum naar Nijmegen. Ook verzorgt hij met zijn meubelwagen verhuizingen
door het hele land, waarbij hij dekens en pakkisten ter beschikking stelt.
Met de komst van de auto is het transport met paard en wagen niet meer
lonend. H. Vullings neemt met zijn tot vrachtwagen omgebouwde T-Ford het
werk over. De mechanische pk's hebben van het paard gewonnen.
Bron:
Een eeuw
vooruit |
|
Rapportcijfer voor trekhonden - 1939 |
|

Met trekhond en kar langs de deuren
|
| Eind maart 1939 ontvingen alle houders van
trekhonden in de gemeente Cuijk een brief van burgemeester Van de
Mortel. "U wordt verzocht om op dinsdag 11 april 's middags om twee uur bij
de keuring van trekhonden te verschijnen. Deze keuring vindt plaats in de
Maasstraat nabij het gemeentehuis. U wordt verzocht met uw hond -
gespannen voor de hondenkar en voorzien van een doelmatige ligplank,
drinkbak enzovoort - aanwezig te zijn".

Trekhonden waren tot aan de Tweede Wereldoorlog een bekende verschijning
op straat. Ze werden vooral gehouden door ondernemers die regelmatig langs
de huizen gingen en niet al te zware lasten vervoerden, zoals de bakker of
de petroleumman.
In 1939 was oud-veldwachter J. van Gils keurmeester van de trekhonden in
Cuijk. De brief van burgemeester Van de Mortel ging naar acht
vergunninghouders die tezamen elf van deze dieren bezaten. Het keuren
omvatte méér dan even kijken of de hond er gezond en krachtig genoeg uitzag
om de kar te trekken. De hond werd op negen onderdelen beoordeeld, waarbij
maximaal honderd punten te behalen waren. Bij zestig of meer punten werd hij
goedgekeurd. Van Gils beoordeelde onder andere de voor- en achterbenen, de
borstbreedte, de stand en de gang van de hond. Van elk dier stelde hij een
rapport op, voorzien van een verklaring "geschikt" of "ongeschikt". Ook de
hondenkar bekeek hij goed. Was deze in orde dan brandde hij er de letter G (
van goedgekeurd) in. De oud-veldwachter kon tevreden zijn met de resultaten
van de keuring in dat jaar: alle honden en bijna alle karren bleken in orde
te zijn. Alleen Cuijkenaar Van Bracht moest nog terugkomen. "Uw hondenkar
voldoet niet aan de eisen van de trekhondenwet", schreef burgemeester Van de
Mortel hem. Zo moeten de buikriemen vier centimeter breed en van leder zijn.
Die van u waren van touw". Bij de herkeuring voldeed het tuig echter aan de
eisen.
De keuring van 1939 was de laatste die in de gemeente Cuijk werd
gehouden. Door het aanscherpen van de eisen stapten steeds meer
trekhondenbezitters over op andere transportmiddelen. Sinds de invoering van
de wet in 1910 hebben 128 inwoners van Cuijk een trekhond gehad.
Bron:
Een eeuw
vooruit |
|
Geef........gas! |
|

Een vrachtwagen die met behulp van een
gasgenerator op houtgas rijdt.
|
| Vrij snel nadat de oorlog was uitgebroken, ontstond er een
ernstig gebrek aan brandstoffen. Als men niets ondernam, zou hierdoor
spoedig geen auto meer kunnen rijden. De benzinestations waren bijna zonder
uitzondering aangewezen als "Wehrmachts-Tankstelle", waardoor particulieren
nauwelijks nog aan benzine konden komen. Er werden daarom voor auto's
alternatieve vormen van brandstof ontwikkeld. Achter op de auto werd een
grote generator gebouwd die steenkool, hout, of turf moest omzetten in
gasdampen waarop de motor inderdaad kon lopen. De beperkte actieradius,
vervuiling van de motor, de smerige drab die overbleef na vergassing én het
onooglijke apparaat moest de automobilist maar voor lief nemen! Dat gold ook
voor de ergernis die men had als de turf te vochtig was om goed te kunnen
vergassen. Al op 1 oktober 1940 begon de verkoop van
"Imbert"houtgas-generatoren, die bij autobedrijf Jetten in Boxmeer konden
worden ingebouwd. Het duurde niet lang of de vreemde verschijning was een
vertrouwd beeld op de weg.
| Niet fraai, zo'n gasfabriekje achterop.
De vrachtwagen
kan echter wel blijven rijden. |
 |
|
Regelmatig kon men langs de weg automobilisten zien staan
die een partijtje meegenomen hout in de warme ketel gooiden. Vooral in 1941
was het een drukte van belang met de opbouw van deze apparaten. Een jaar
later waren bijna alle auto's voorzien van een eigen "gasfabriekje". Achter
op de generator van een van de vrachtauto's van Boxmeerse veevoederfabrikant
Wimke de Körver was het volgende rijmpje te lezen:
"In de tijd van Willemien liep ik op benzien,
Met de nieuwe orde is het hout geworde!".
De
Gennepse meubelfabriek Genneper Molen zaagde in de oorlogsjaren miljoenen
blokjes hout en kon daarmee haar dunne orderportefeuille enigszins vullen.
De Maas-Buurtspoorweg zaagde zelf de blokjes voor haar autobussen. Om
brandstof te besparen, werden twee autobussen gekoppeld. De voorste bus was
uitgerust met een gasgenerator, de achterste liftte mee als "bijwagen".
Ondanks alles had de generator één groot voordeel. De bezetter had minder
interesse in auto's die ermee waren uitgerust. Zo voorzag autobedrijf Jetten
de vrachtwagens van een turfgenerator om vordering door het Duitse leger te
voorkomen. Hoe het afliep met deze alternatieve vorm van
brandstofvoorziening staat te lezen in het bedrijfsjournaal uit 1945 van
Piet Jetten. "Vrij regelmatige verkoop van generatoren op personenwagens.
Zeer drukke reparaties met uitslijpen van de motoren. Vergunning voor
Imbert- of Gébé-installaties wordt niet meer verleend omdat de
brandstofpositie dit niet meer toelaat. Dus nog uitsluitend
kolengeneratoren, die slecht geleverd worden. In september rijden we
gelukkig weer op gewone benzine, de generatoren vliegen als oud vuil op de
mesthopen".
Bron:
Een eeuw
vooruit |
|
 |
| Het laden en lossen van pluimvee
met een vorkheftruck in de jaren '90
Bron:
Een eeuw vooruit |
|
Zo'n 25 miljoen kilometer
door Europa - 1992 |
|
 |
|
Pluimveevervoer in de beginjaren
van Nabuurs Transport uit Haps
"Een ideale plek", noemde directeur Jacques Nabuurs
van het gelijknamige transportbedrijf begin 1992 zijn nieuwe locatie aan de
Laarakker in Haps. "Vlak bij de oprit naar de A73 en halverwege wereldhaven
Rotterdam en het Duitse achterland". Kort tevoren had hij daar op een
zeventigduizend vierkante meter groot terrein een kantoor, werkplaats,
wasserette en een grote opslagruimte voor koel- en diepvriesgoederen in
gebruik genomen. Naast deze gebouwen was nog een ruime parkeerplaats
aangelegd voor zijn vrachtwagens.
Twintig jaar had Nabuurs erover gedaan om met zijn
bedrijf te kunnen verhuizen. Zo lang had het geduurd voordat allerlei
procedures en bezwaarschriften waren afgerond en hij eindelijk vergunning
kreeg om te bouwen op de Laarakker. Evenals veel andere transporteurs in het
Land van Cuijk en Noord-Limburg zat Nabuurs midden in het dorp klem met zijn
bedrijf. Uitbreiden was onmogelijk. Het voortdurende af- en aanrijden van
vrachtwagens door de straten van Haps en het laden en lossen zorgden
bovendien voor veel overlast. Vandaar dat hij op zoek moest gaan naar een
nieuwe locatie.
Nabuurs was in 1963 gestart met zijn transportbedrijf.
Met zijn eerste vrachtwagens bracht hij kippen van een boerderij naar een
pluimveeslachterij. Daarmee legde hij de basis voor een van de latere
specialisaties van zijn bedrijf: het vervoer van pluimvee en
pluimveeproducten. Enkele jaren later werden de activiteiten aanzienlijk
uitgebreid, toe Nabuurs melkbussen ging ophalen bij boerderijen en afleveren
bij melkfabriek Nutricia in Cuijk Zo ontstond een andere belangrijke poot
van het bedrijf: het zuiveltransport. Ook ging Nabuurs steeds meer goederen
en producten voor andere bedrijven vervoeren. "De dienstverlening aan al
deze bedrijven is sterk toegenomen. Bedrijven beschikken niet graag over een
te grote voorraad grondstoffen en producten. Optimaal vervoer is slechts
mogelijk door een goede logistiek. Wij weten precies wat op welke tijd waar
is".
In amper 75 jaar had het goederenvervoer over de weg
een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Rond 1925 werden vrachtwagens voor
velerlei doeleinden gebruikt en vaak handmatig geladen en gelost. De
afstanden die de wagens aflegden waren nog beperkt. In 1992 echter
geschiedde het transport met zeer gespecialiseerde vrachtwagens. Zo
beschikte Nabuurs over tankwagens en over huif-, koel- en vriestrailers. Het
laden en lossen gebeurde met heftrucks. En zijn vrachtwagens reden in dat
jaar 25 miljoen kilometer door binnen- en buitenland.
Link:
Nabuurs Transport
|
©
paladijntje.nl-Cuijk

|