Vóór Christus

Cuijk is oud, héél oud, de naam Cuijk is zelfs afgeleid van het Indogermaanse of Keltische woord ‘Keukja’ wat ‘kromming’ of ‘bocht’ betekent. Iedereen die Cuijk en haar ligging kent begrijpt dat dit slaat op de kromming of bocht in de Maas ter hoogte van het huidige dorp Cuijk. ‘Keukja’ werd in het Romaans verbasterd tot ‘Ceuclum’ en eindigende uiteindelijk in de naam Cuijk.

Honderden jaren voor Christus woonden er al mensen in deze streek. Dat blijkt duidelijk uit de vele prehistorische bodemvondsten. Waarom precies hier?  Omdat de Kelten ook niet dom waren, hier vonden ze hogere plaatsen langs de woeste Maas. En deze hogere plaatsen boden hun woonplaatsen bescherming tegen de (vele) overstromingen van de Maas. Zodoende ontstond hier een nederzetting.

Deze Kelten woonden in houten schuren of hutten. Om in hun levensonderhoud te voorzien, bebouwden ze het land en hielden vee. Zij kregen kinderen, leefden hun kommervolle leven en stierven. De nabestaanden cremeerden hun overledenen en deden de as in urnen. Vervolgens werden deze urnen in grafvelden geplaatst. Deze velden werden bedekt met aarde en zo ontstonden er grafheuvels. Vaak hadden deze heuvels een opening op het oosten, waarschijnlijk met religieuze redenen waar wij nu weinig meer van weten. Dergelijke grafheuvels, gedateerd tot ongeveer 700 jaar voor Christus, zijn aangetroffen op het Kampse Veld in Haps. Ook in Cuijk zelf zijn zowel in 1825 (De Kalkhof) en 1844 (De Hanshof) dergelijke heuvels gevonden.

Recentere vondsten, bijvoorbeeld van vuurstenen werktuigen rondom de Kraaijenbergse en Heeswijkse Plassen en in de Heeswijkse Kampen, bevestigen de bewoning van dit gebied in die tijd en vermoedelijk zelfs eerder. Cuijk en omgeving werd dus ruim voor onze jaartelling al bewoond door Kelten. Hun nederzetting was nog aanwezig toen de Romeinen zich hier vlak na het begin van onze jaartelling vestigden.

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Romeinse tijd

Toen keizer Julius Caesar kort voor onze jaartelling Gallië veroverde en de Romeinse invloed doordrong tot het gebied rond Cuijk, veranderde hier veel. Een rij plaatsen waarin Romeinse legioenen waren gelegerd (de Castelia) zorgde voor de verdediging van de grenzen van het Romeinse rijk. Voorbeelden van zo’n “rij” zijn Nijmegen, Xanten, Keulen en Bonn.                   Deze legerplaatsen waren met elkaar verbonden door wegen. Eén van deze wegen liep van Nijmegen naar Tongeren, via Cuijk. In de vorige eeuw zijn talloze sporen van deze weg gevonden. Op een middeleeuwse ‘natekening’ van een Romeinse wegenkaart, de zogenaamde ‘Peutinger kaart’, zijn de wegen aangegeven met hun afstandsmaten en worden de voornaamste Romeinse nederzettingen aangeduid door een bouwwerk. Naast Nijmegen staat hierop ook Ceuclum, het tegenwoordige Cuijk, vermeld.

Cuijk was in de Romeinse tijd dus een belangrijke nederzetting langs de Maas. Tijdens opgravingen werd in 1846 een compleet Romeins graf met voorwerpen van het warmrode Terra-Sigillata-aardewerk en enkele sieraden gevonden. Ook in 1912, toen de oude dorpskerk plaats moest maken voor de huidige neogotische Sint Martinuskerk, werden veel muurresten en voorwerpen uit de Romeinse tijd ontdekt. En in de jaren zestig, tijdens de aanleg van de Maasboulevard kwamen veel Romeinse vondsten te voorschijn. Ook op andere plaatsen in Cuijk zijn Romeinse resten gevonden. Zo vonden archeologen bij de Hervormde Kerk een nederzetting van ambachtslieden, kooplui en andere personen, die in hun bestaan betrokken waren bij de dienstverlening aan of bevoorrading van het Romeinse Castellum. Door middel van deze en andere opgravingen, waarbij muurrestanten en dergelijke bloot kwamen heeft men kunnen vaststellen waar de Romeinse vesting (“Castellum”) was gevestigd. Dit was ruwweg het gebied tussen de (huidige) Maasstraat, Grotestraat, Deken v.d.Ackerhof en de Maas. Sporen zijn echter ook gevonden richting Markt en Nutricia en richting Schoolstraat. Dit Romeinse Castellum had onder zijn verantwoordelijkheid de bescherming van de hier gelegen oversteekplaats in de Maas. Aangezien deze oversteekplaats een onderdeel was van de belangrijke Romeinse weg, die liep van Tongeren via Cuijk en Blerick naar Nijmegen. Dit Noviomagum (Nijmegen) was een belangrijk bolwerk dat mede de noordelijke grens beschermde van het Romeinse rijk.
Naar wij mogen aannemen zijn de Romeinen omstreeks het jaar 400 uit Nederland dus ook uit Cuijk verdwenen. Met onderbrekingen zijn ze hier een kleine 4 eeuwen aanwezig geweest, ter bescherming van de “oversteekplaats” in de Maas. Zoals wij sinds enkele jaren definitief weten hadden zij in hun laatste periode de beschikking over een brug, waarvan restanten zijn teruggevonden waardoor de juiste plaats kon worden bepaald. Met het vertrek van de Romeinen verdween ook een stuk beschaving en van het tijdvak 400 tot 1000 weten we eigenlijk vrij weinig. Wel is er bewoning gebleven, want het was tenslotte een hogere plaats langs de rivier. Na het vertrek van de Romeinen werd de streek onder andere bewoond door de Franken.  

De kerstening van Cuijk moet omstreeks 800 hebben plaatsgevonden, omdat de kerk is toegewijd aan St.Maarten, een heilige, die in die tijd werd vereerd. Cuijk moet op kerkelijk gebied nogal wat invloed hebben gehad, want er was een dekenaat Cuijk met een groot gebied van Blerick tot en met het latere Den Bosch. Staatkundig lag dit gebied in Lotharingen, waarvan het gezag bij de Duitse koningen en keizers lag. In die tijd werden delen van een gebied vaker in leen uitgegeven; dit gebeurde ook met ons gebied, het werd een zelfstandig rijksleen. Het kwam in de 10e eeuw in leen bij de heren van Malsen (het tegenwoordige Geldermalsen).

 

 

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Heren van Cuijk

De Heren van Cuijk komen van oorsprong uit de Betuwe. Vanaf de 11e eeuw zijn zij ‘historisch aantoonbaar’. De naam Cuijk (Henricus de Kuc of Kuyc) wordt voor het eerst in 1096 in een oorkonde vermeld. De leenheren noemden het gebied het “Land van Cuijk” en zichzelf “Heren van Cuijk”. Het geslacht van Cuijk is afkomstig uit de gouw Teisterbant. Vooral rondom Geldermalsen en Meteren had de familie veel goederen. De gouw Teisterbant is helaas niet precies aan te wijzen. Ze wordt al in 850 genoemd met als graaf “Balderik”. Vanaf circa 1050 geven de schriftelijke bronnen meer duidelijkheid over de plaats Cuijk en de heersende familie. Vanaf die tijd wordt de naam Cuijk namelijk toegevoegd aan de persoonsnamen, genoemd naar het stamgoed. Voor die tijd noemde men zich Van Kuyc of ook Van Malsen. De familie had veel bezittingen en nauwe banden met de Graven van Holland, Gelre en Vlaanderen, de Hertog van Brabant, de Koning van Engeland en de bisschoppen van Keulen en Utrecht. In de 13e eeuw werd de gouw Teisterbant verdeeld tussen Cuijk, Gelder en het Stichtse bisdom.

De oorspronkelijke heren van Cuijk zijn aan het bewind geweest van 1096 tot 1400 en vooral Jan I van Cuijk nam een voorname plaats in. Een beeld van hem stond bij het viaduct in de Maasstraat, in 2008 ter gelegenheid van 700 jaar Jan van Cuijk is er een bronzen afgietsel gemaakt. Het stenen origineel gaat naar binnen en de bronzen kopie komt voor het gemeentehuis te staan. Wel was het zo dat hun kasteel vanaf 1137 niet meer in Cuijk zelf stond maar in Grave. In die plaats kwam toen ook het bestuurscentrum, maar een aantal zaken bleef in de plaats Cuijk zelf. De Hoofdbank (het huis voor onder andere rechtspraak) bleef in Cuijk en ook de Landdag (een soort dorpenvertegenwoordiging) kwam jaarlijks in de Cuijkse kerk bijeen. Bij de Hoofdbank konden niet alleen de dorpsbanken van Escharen tot Maashees in beroep gaan, maar ook die van het vrijwel onafhankelijke Boxmeer.

 

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het leven van Jan I van Cuijk.

Heel belangrijk voor het Land van Cuijk was Heer Jan I van Cuijk (1230 - 1308). Jan werd geboren omstreeks 1230 en volgde in 1254 zijn vader Hendrik III op als Heer van Cuijk. Omstreeks 1260 trouwde hij met Jutta van Nassau. Zij was een dochter van Hendrik van Nassau, een rechtstreekse voorvader van Prins Willem van Oranje. Er zijn negen kinderen uit dit huwelijk bekend.

Heer Jan I van Cuijk ‘regeerde’ van 1265 tot 1308 en verbleef meestal op zijn kasteel in Grave. Hij was een bijzondere ridder en regeerder uit een beroemd geslacht. Met in zijn wapen de nog steeds gebruikte acht ‘merletten’ vocht hij aan de kant van Hertog Jan van Brabant tegen de Geldersen, de Limburgers en de Keulsen. Jan I van Cuijk nam deel aan veel veldtochten in de omgeving, waaronder de slag bij Woeringen nabij Keulen in 1288. Deze slag bracht een historisch keerpunt in de geschiedenis van de Nederlanden en het Nederrijn gebied. Hij wordt uitvoerig vermeld in de ‘Yeeste van den slag bij Woeronc’ van Jan van Heelu, een enorm heldendicht op hertog Jan I van Brabant, de grote overwinnaar in de slag tegen onder anderen de aartsbisschop Siegfried van Keulen, Graaf Reinoud van Gelre en Graf Hendrik van Luxemburg. De inzet was de erfelijke rechten op Limburg en de uitslag: Jan van Brabant met aanhang won. Ook bij de Guldensporenslag in 1302 hoorde Jan bij de winnaars, deze keer aan de kant van Reinoud van Gelre en de Vlamingen tegen de Fransen.

Een minder fraaie rol speelde Jan in 1296 echter in de samenzwering van de edelen tegen graaf Floris V van Holland. Deze zou op verzoek van de Engelse koning gevangen genomen worden tijdens een jachtfeest en daarna naar Engeland gebracht. Het liep echter uit op moord.

In 1308, kort voor zijn dood heeft hij echter een daad gesteld die van groot belang is geweest voor de bevolking. Hij besloot om de zogenaamde ‘gemeynten’, de gemeentegronden in het Nederampt, aan de parochiedorpen en onderhorigen daaraan, over te dragen. Deze gronden, die over het geheel nog woest waren (totaal ca. 7.000 hectare), stelde hij daardoor gratis ter beschikking van de inwoners van de dorpen om er de paarden, vee en schapen op te weiden en er heideplaggen van te halen voor de potstallen. De kleine boeren vooral waren daar erg mee gebaat. Jan I van Cuijk was ook de stichter van het Graafse Sint Catharinagasthuis.
Heer Jan I stierf op 13 juli 1308 en werd met de grootste eer, ‘met voordragen van wapen en schild’ begraven in de St. Elisabethkerk te Grave.

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De positie van Cuijk onder de “Heren van Cuijk”

De graafschap Cuijk, later heerlijkheid van Cuijk genoemd, heeft gedurende een lange tijd een belangrijke positie ingenomen, zowel regionaal als internationaal. In diplomatieke kringen speelden de Heren van Cuijk (en indirect ook de dames natuurlijk) een belangrijke rol in de 12e tot en met de 14e eeuw. Het proefschrift van dr. J.A. Coldewey heet dan ook ‘Over de invloed van de Heren van Cuijk (1096-1400)’. Verder waren vanaf circa 1215 in Cuijk jaarmarkten, een bevestiging van de centrumpositie. Omstreeks 1485 was er een grote brand, waarbij ook de toenmalige kerk verloren ging. Uit die tijd stamt de bouw van een andere kerk met toren. De kerk is in deze eeuw vervangen door de huidige kerk, de toren - als gemeentelijk eigendom - is bewaard gebleven. In deze toren is nu het museum Ceuclum gevestigd.

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een paar voorbeelden ter illustratie:

Het Land van Cuijk was de bufferstaat tussen Brabant en Gelre; In de 12e eeuw waren er onder meer twee bisschoppen uit de familie Van Cuijk aan de macht in Utrecht en Luik; Jan I was onder meer diplomaat in dienst van de koning van Engeland en vertrouweling van Hertog Jan van Brabant. Waar woonden de van Cuijk’s? Het oudste kasteel van de familie in dit gebied heeft waarschijnlijk in Cuijk op dezelfde plaats gestaan als de tegenwoordige St. Martinuskerk. Bij opgravingen in 1964-1966 onder leiding van professor dr. J.E. Bogaers is een rondlopende gracht teruggevonden. De jongste aardewerkfragmenten daaruit zijn te dateren in de 12e eeuw. Dit gegeven sluit aan bij berichten over de verwoesting van heel Cuijk in 1133 door de Graaf Dirk VI van Holland als wraak voor de moord op zijn broer Floris de Zwarte.

Godfried van Cuijk kreeg daarna van keizer Lotharius toestemming om een nieuw kasteel te bouwen. Hiervoor werd een plaats uitgekozen op een strategische positie bij de Maas en aan de grote weg van Nijmegen naar Brabant, het tegenwoordige Grave. Dit kasteel is blijven bestaan tot 1674. Van de beschikbare gegevens is in 1980 een maquette samengesteld door leden van de Graafse Stichting Graeft Voort.

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het wapenschild

Het familiewapen is bekend van zegels aan oorkonden en akten en uit beschrijvingen van de wapenschilden. Het oudste zegel is van omstreeks 1200 van Hendrik van Cuijk en bevat alleen de twee horizontale balken. Het wapenschild dat ook nu nog het Cuijkse gemeentewapen is, wordt als volgt omschreven: het schild is van goud met twee balken en acht merletten alle in rood. Het zegel met de acht merletten werd voor het eerst toegepast door Albert van Cuijk, die leefde tot 1233.

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Tachtigjarige oorlog

Ook de Tachtigjarige oorlog ging niet geruisloos aan Cuijk voorbij. Spaanse belegeringen van zowel kasteel Middelaar als Bleijenbeek onder Afferden brachten voor de bevolking veel ellende. Na de verovering van Grave door prins Maurits in september 1602, werd het Land van Cuijk een zwevend niemandsland tussen Staats en Spaans gebied. Een bende Kroaten, die deelnamen aan de belegering van de Schenken- schans in Nijmegen heeft in 1635 nog brand gesticht.

Bij de vrede van Munster in 1648 werd de Cuijkse parochiekerk toegewezen aan de protestanten. Veel altaren en beelden werden ten gevolge van de beeldenstorm uit de dorpskerk verwijderd. Cuijk vormde in die tijd een klein bestuurscentrum en er woonden nogal wat protestantse ambtenaren. Met enkele anderen vormden zij ongeveer tien procent van de bevolking. De Cuijkse katholieken bezochten rond 1650 samen met hun geloofsgenoten uit Haps een kerkenhuis ‘even over de grens’ in Oeffelt, dat toen nog bij Kleef hoorde. Toen de tijden weer soepeler werden, betrokken zij een bescheiden kerkgebouw in de Molenstraat in Cuijk. Dit duurde tot ongeveer 1800. In dat jaar werd de oude kerk, onder protest van de protestanten of gereformeerden, aan de katholieken terug gegeven. Helaas konden de katholieken slechts kort van “hun” kerk genieten, want de kerk werd rond 1845 door een brand verwoest. Na herbouwd te zijn kwam het eind voor deze kerk in 1912 door middel van de slopershamer.

 

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De 18e en 19e eeuw

In 1712 vernietigde een grote brand nagenoeg heel Cuijk. Besloten werd om bij de herbouw van de verloren gegane bouwwerken, in plaats van de gebruikelijke daken van stro, voortaan pannendaken te gebruiken. In die tijd stond bij de dorpskerk het ‘rechtshuis’, een voorloper van het nu afgebroken raadhuis in de Maasstraat. De meeste inwoners werkten in de landbouw of veeteelt, de kleine nijverheid of de scheepvaart. Cuijk bleef echter bescheiden van omvang. Maar toch, op de stad Grave en de ‘zelfstandige vlek’ Boxmeer na, was het wel het dichtstbevolkte dorp van het Land van Cuijk. Volgens een opgave uit het jaar 1785 had Cuijk in die tijd 201 huizen, 258 gezinnen, 60 schuren, één kerk, één kasteel, 87 paarden, 263 runderen, 73 karren, 49 bakovens en één wind- en rosmolen.

In 1795 ontstond de Bataafse Republiek, later gevolgd door de inlijving bij Frankrijk. Alle zogenaamde “heerlijke” rechten werden afgeschaft, want althans in theorie was er vrijheid, gelijkheid en broederschap. Dit had o.a. tot gevolg, dat de katholieken weer in het bezit kwamen van de Martinuskerk, dit rond 1800. In 1809/1810 werd met subsidie van de overheid een nieuw eigen kerkje voor de Protestanten gebouwd aan het zuideinde van de Grotestraat hoek Markt, die kerk staat er nog steeds.

Hoofdbronnen van bestaan waren nog steeds voornamelijk landbouw en veeteelt. Hierbij moeten wij niet uit het oog verliezen, dat door de overstromingen van de Maas tot aan de laatste grote ramp in 1926 en de werking van de Beerse Overlaat dit gebied vooral in de winter veel overlast ondervond en het vaak geïsoleerd raakte. De ongekanaliseerde Maas zette in de wintermaanden de lage landen bij Cuijk en Katwijk dikwijls helemaal onder water, vaak tot aan Den Bosch toe. Herhaaldelijk bezweken de dijken zoals in 1820, 1861 en 1880. De laatste overstroming, die van 1926, was de ergste. Het drama van de Beerse Maas vormt overigens een verhaal op zichzelf. Deze overlaat heeft de ontwikkeling van het Land van Cuijk, vergeleken met andere streken van het expansieve Brabant, erg gestremd. Pas in 1942, toen de Beerse Maas voorgoed werd gesloten, verbeterde de structuur aanzienlijk.

 

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cuijk aan het spoor

Door zijn ligging in het noordoosten van de provincie, de nukken van de Maas en de overlast van de Beerse overlaat waren de verbindingen niet optimaal. Cuijk lag er, net zoals de andere plaatsen in dat gebied, wat geïsoleerd bij. Groot was dan ook het enthousiasme toen aan het eind van de jaren zeventig in de 18e eeuw plannen werden ontwikkeld voor het aanleggen van een treinverbinding tussen Nijmegen en Venlo. Hoewel, het kostte veel moeite om de verbinding zoals we die nu nog kennen tot stand te brengen. Oorspronkelijk was het niet de bedoeling om de lijn al bij Cuijk de Maas te laten passeren, maar deze bijvoorbeeld parallel te laten lopen aan de (oude) Rijksweg Nijmegen-Venlo. Aan de Limburgse kant van de Maas dus. Veel acties hebben er echter voor gezorgd dat de spoorweg nu via het huidige traject loopt.

De aanleg van de spoorweg in de omgeving van Cuijk verliep redelijk vlot. Het grootste werk was uiteraard de bouw van de spoorbrug over de Maas. Hiermee werd begonnen in augustus 1879 en aan het eind van februari 1883 was de klus geklaard. De lengte van de brug was ruim 354 meter, de kosten bedroegen 579.901 gulden. Uiteraard reed de eerste personentrein op 1 juni 1883 met feestelijk vertoon over deze voor de streek zo belangrijke verbinding. Bij de aanleg van een spoorlijn horen natuurlijk ook stations. Het station in Cuijk werd gebouwd in 1881 en is in zijn (bijna) oorspronkelijke vorm nog te bewonderen. Dit is mede het resultaat van een actie opgezet door het gemeentebestuur en de bevolking. In 1975 kwam namelijk het bericht dat het stationsgebouw gesloopt zou worden en vervangen door een moderner gebouw. Dit ging de gemeente en haar inwoners echter te ver. Er was al (te)veel gesloopt en men was bang dat er weer een stukje geschiedenis verloren zou gaan.

 

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Handel, middenstand en industrie tot 1930

De ontwikkeling die Cuijk in de periode tot 1930 doormaakte op het gebied van handel, middenstand en industrie is waarschijnlijk het best te beschrijven aan de hand van een aantal karakteristieke voorbeelden. Neem het postkantoor. Waarschijnlijk had Cuijk al in 1850 een hulppostkantoor. Pas in 1883 echter kreeg deze PTT-vestiging de status van ‘echt’ postkantoor. Het ging hier om het gebouw op de hoek van de Grotestraat en de Maasstraat. De gemeenteraad wilde wachten met deze ‘promotie’ totdat de spoorlijn Nijmegen-Venlo klaar was. Zij wilde liever dat het telegraafverkeer via het spoorwegstation zou worden afgewerkt. Echter mede op uitdrukkelijk verzoek van de inwoners, werd in het postkantoor ook het telegraafkantoor gevestigd.

Ook in die tijd was Cuijk van alle markten thuis. In 1850 bijvoorbeeld waren er in Cuijk zes jaarmarkten, met daarnaast een staalmarkt voor de graanhandel waar granen op monster of staal werden verhandeld. Naast vee werd er vooral vlas en linnen verhandeld. Tijdens goede jaarmarkten werden er ongeveer 250 runderen aangevoerd. Later, vanaf 1860, werden bijvoorbeeld 8500 el linnen verhandeld, 24 el lakens, 4800 pond vlas en 1550 pond wol. In 1895 wordt het aantal marktdagen uitgebreid tot 13, later zelfs tot 24, met een aparte paardenmarkt. In 1927 worden bijna 8000 runderen en meer dan 12.000 biggen aangevoerd. We kunnen dus zeggen dat Cuijk in de periode 1850 tot 1930 meer was dan alleen een boerendorp. Er was een bescheiden textielindustrie, zoals een katoen- en een linnenweverij. Ook was er bijvoorbeeld de balans-, bascule- en koffiemolenmakerij van Johannes van Susteren. De firma maakte per jaar ongeveer 5000 koffiemolens, 300 balansen en 75 bascules (een soort weegschaal). Verder kende Cuijk omstreeks 1860 nog een brandkastmakerij met een productie van zo’n 15 brandkasten per jaar, een bescheiden brandspuitmakerij met twee spuiten per jaar en twee brouwerijen met in het jaar 1865 een productie van maar liefst 2630 tonnen bier. Van steeds grotere betekenis werden de leerlooierijen, het aantal looierijen schommelde tussen vier en tien. Bij de leerlooierijen van A. Kaal, L. Manders de gebroeders Meijer en Co., en de gebroeders Manders werkten ieder ongeveer 5 man, terwijl de machinale stoomleerlooierij van de firma M.B. Regouin er uit springt met ongeveer 30 man. In 1865 werden bijvoorbeeld 1510 koeievellen, 40 paardenvellen en 470 schapenvellen bewerkt. Ook was er een orgelmakerij, maar vooral de werkplaats voor kerkornamenten, leverde producten voor de eredienst (altaren, communiebanken e.d.). Er werden één of twee orgels per jaar afgeleverd. Een ander bedrijf, actief in dezelfde sector, maakte in 1865 drie altaren, twee communiebanken, twee koorbanken, drie biechtstoelen, één lievevrouwetroon èn één beeld ‘voorstellende Heer Jan I van Cuijk’. Dit laatste beeld is nu nog steeds te zien in de Maasstraat bij het viaduct. Veel belangrijker voor Cuijk was echter de sigarenindustrie: zowel sigarenmakerijen als tabakskwekerijen. In 1859 werd 20.000 pond gekerfde tabak verwerkt. Fabrieken zoals Van Dongen & Reniers. Bij Philipsen & Van Hussen werkten van 1900 tot 1930 ongeveer 50 man. Van Aernsbergen was een bekende en natuurlijk de vestiging van de fa. J.Baars en Zoon, beter bekend als “Victor Hugo”, gestart in 1907, hier in werkten in het beginjaar 1907 24 volwassenen en 2 kinderen en in 1930 al 146 mannen, 31 vrouwen en 41 kinderen. Deze sigarenfabriek was indertijd één van de filialen van de firma J. Baars en Zonen uit Krommenie. De eerste aanzet werd gemaakt in een klein pand in de Molenstraat. Toen dit pand te klein werd, zocht men naar een andere locatie om er een echte fabriek te bouwen. In de Molenstraat lag een terrein braak. De firma Van Dongen en Reniers had hier al een sigarenfabriek gebouwd, maar dit bedrijf was door brand verwoest en niet meer herbouwd. Op dezelfde plaats werd omstreeks 1901 een nieuwe sigarenfabriek gebouwd. De productie van deze fabriek was ongeveer 100.000 sigaren per dag. Een paar jaar later komen hier de sigarenmakerijen van A. van Aernsbergen en van J. Baars en Zoon nog bij.  Daarnaast waren er nog een paar smeerkaarsenmakerijen met in 1859 een aflevering van wel 4500 pond kaarsen. Cuijk telde circa acht schoenmakerijen en een paar zadelmakerijen. Ook de meubelmakerijen breidden zich steeds uit.

Cuijk ging nog niet echt mee in de industriële expansie, maar de plaatselijke nijverheid ontwikkelde zich aardig. Het was een agrarisch getint dorp met een bescheiden nijverheid. In 1907 staat er op naam van J. Dekker een zuivelfabriek geregistreerd: Sint Maarten. Er werkten ongeveer 15 man. Vooral na 1900 ontstonden er nieuwe bedrijven, zoals de melkfabrieken St.Maarten en de Lacto, nu Nutricia. En een bijzonder initiatief, Cuijk liep hiermee in de regio sterk voorop, was de stichting van een elektriciteitscentrale in 1909. Eerst was dit een particulier bedrijf, maar in 1916 nam de gemeente zelf dit bedrijf over. In 1927 werd het overgedragen aan de PNEM. In 1917 verschijnt er in Cuijk een zoutzuurfabriek door toedoen van de firma G.B. Wolf. In 1925 waren de bierbrouwerij en ijsfabriek Cevelum er al. 

Een gebouw ten slotte dat velen zich zullen herinneren is ongetwijfeld dat van de Coöperatieve Handelsvereniging van de NCB, beter bekend als ‘het rattenhuis’. Dit gebouw stond op de plaats waar eerst de molen van Poos heeft gestaan, later die van Van der Eyken en nu een supermarkt, langs de spoorlijn bij de spoorwegovergang.

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Na de Tweede Wereldoorlog

Op 1 januari 1940 telde Cuijk ongeveer 4600 inwoners, die ondertussen de lange crisistijd met zijn grote werkloosheid en werkverschaffing achter de rug hadden. Zij woonden in een bescheiden dorp met een redelijk bedrijfsleven. In 1942 werd de gemeente Linden opgeheven. Het hoofddorp, Groot-Linden, ging over naar Beers, terwijl Katwijk en Klein-Linden bij Cuijk werden gevoegd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag Cuijk in de periode 17 september 1944 tot maart 1945 nagenoeg in de frontlinie. Dit kwam omdat het gebied aan de andere zijde van de Maas, zoals Mook, pas in maart 1945 werd bevrijd. Af en toe vonden er beschietingen plaats, met als gevolg een aantal slachtoffers onder de burgerbevolking en materiële schade. Veel huizen werden verwoest. In Katwijk werd in 1947 een monument opgericht ter nagedachtenis van de op 10 mei 1940 in de Maassector tussen Katwijk en Oeffelt gesneuvelde manschappen. Jaarlijks organiseert het Comité Herdenking en Bezinning met de gemeente Cuijk de nationale herdenking en de herdenking van de gevallenen op 10 mei 1940 in Katwijk.

Na 1945 werden onder bezielende leiding van de toenmalige burgemeester Jansen later voortgezet door burgemeester van Zwieten, de zaken energiek aangepakt. Door zijn gunstige ligging aan de Maas en de spoorlijn Nijmegen-Venlo en ook door de stimulerende maatregelen van de regering, kon een industriële ontwikkeling op gang worden gebracht en brak er voor Cuijk een nieuw tijdperk aan. Er moesten gebieden worden aangewezen waar de nieuwe industrieën zich konden vestigen. Er ontstonden twee grote industrieterreinen: ‘De Beijerd en ’t Riet’ en ‘Haven Cuijk’. Op deze industrieterreinen hebben zich in de loop der jaren verschillende industriële bedrijven gevestigd.

Zoals de naam van het laatstgenoemde industrieterrein al doet vermoeden, kwam hier de Cuijkse haven tot stand. Deze haven staat in open verbinding met de Maas. Een keersluis zorgt voor de goede waterstand in de haven. Ook kon er dankzij deze haven met zijn keersluis een doorsteek gemaakt worden van de Maas naar de Kraaijenbergse Plassen, die een grote rol gaan spelen in de toekomstige recreatie in de hele streek. Tegelijk met deze expansieve industrialisatie nam de bevolking van Cuijk in snel tempo toe. Cuijk groeide bijvoorbeeld van 5645 inwoners in 1950 tot ruim 15.300 inwoners eind 1975. Op dit moment heeft Cuijk overigens een kleine 25.000 inwoners.

Aan de snel groeiende bevolking moest goede huisvesting worden geboden. De beschikbare ruimte voor woningen was snel uitgeput en er moest worden uitgekeken naar nieuwe woongebieden. Rond 1960 werd een begin gemaakt met de uitbreiding in noordelijke richting. Zo ontstond Cuijk-Noord, beter bekend als ‘De Valuwe’. In een vrij snel tempo werd deze wijk volgebouwd. De wijk telt ongeveer 1550 woningen. In 1970 werd gestart met de wijk ‘Padbroek’ en in 1980 begon men met de bouw van de wijk ‘Heeswijkse Kampen’.

Uiteraard waren naast woningen ook andere voorzieningen nodig. Er werden scholen gebouwd in de diverse wijken, niet alleen voor het kleuter- en basisonderwijs, maar ook een Lagere Technische School, een school voor Lager Huishoud- en Nijverheidsonderwijs, de Middelbare Landbouwschool (MAS) en niet te vergeten het Merletcollege met atheneum, havo- en mavo-opleiding. Het oude gemeentehuis aan de Maasstraat moest plaatsmaken voor de Maasboulevard. Een nieuwe gemeentehuis - inmiddels een aantal malen uitgebreid - kwam aan het Louis Jansenplein. Er werden winkelcentra aangelegd, zowel in de wijken, als in het centrum. Hiervoor moest wel het oude Liefdesgesticht op die plaats verdwijnen; een nieuw bejaardentehuis kwam er aan het eind van de Grotestraat (Porta Caeli). Dit is al weer vervangen door “Maartenshof”.  Het gebouw Victor Hugo kreeg wat later zijn functie als dienstencentrum. Er kwam een nieuw postkantoor ondertussen alweer opgeheven en vervangen door een postagentschap, een arbeidsbureau, een telefooncentrale aan de Veldweg, straten werden gewijzigd en meer van dit soort zaken. Cuijk kreeg een zwembad en een sporthal, een sportterrein (de ‘Groenendijkse Kampen’) en erg belangrijk natuurlijk, de Streekschouwburg. Het winkelcentrum De Zwaan heeft een ware gedaanteverwisseling ondergaan met o.a. een doorbraak naar de Grotestraat en een nieuwe naam, namelijk De Maasburg.

 Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deel 2 - Geschiedenis van het archeologisch onderzoek in Cuijk

Archeologisch onderzoek

Het archeologische onderzoek in Cuijk kent een lange traditie. Opgravingen in de kern door A.E. van Giffen, J. Willems en J.E. Bogaers in de jaren 1937-38, 1948 en 1964-66 hebben veel sporen uit het verleden opgeleverd.

Op basis van uitgevoerd onderzoek mag worden aangenomen dat de plaatsnaam en de ligging van het huidige Cuijk overeenkomt met de plaatsnaam Ceuclum op de Tabula Peutingeriana, een middeleeuwse kopie van een Romeinse wegenkaart. De oudste sporen uit de eerste helft van de eerste eeuw zijn van een militaire versterking, een castellum, dat vermoedelijk opgetrokken is onder keizer Claudius (41-54). Over de aard en de betekenis van deze vestiging bestaan echter nog de nodige vraagtekens.

Kort na de Bataafse Opstand in 69/70 na Christus werd het castellum in steen herbouwd, waarna het tot het einde van de eerste eeuw in gebruik bleef. Nadat de militairen lijken te zijn vertrokken, ontwikkelde Cuijk zich in de tweede eeuw tot een vicus, een regionaal centrum voor een groter landelijk gebied. Vooral handel, ambacht en dienstverlening kenmerkten het karakter van het tweede-eeuwse Cuijk. Waarschijnlijk is Cuijk ook op religieus gebied van betekenis geweest. Dit zou kunnen worden geconcludeerd uit de gevonden resten van tempels op de Maasoever.

Zoals zoveel nederzettingen in het Benedenrijngebied lijkt Cuijk rond het midden van de derde eeuw te zijn verlaten. Pas kort na het jaar 320 wordt onder keizer Constantijn de Grote (306-337), op min of meer dezelfde plaats als de eerste-eeuwse versterking, een nieuwe fortificatie aangelegd, die omgeven is door een hout-aarde wal. Het fort lijkt in ieder geval een oppervlak van ongeveer tweeënhalve hectare gehad te hebben. Vanuit het fort werd de brug over de Maas bewaakt. Rond het begin van de vijfde eeuw lijkt Cuijk verlaten te zijn, maar de schaarse bewoningssporen uit de vroege middeleeuwen wijzen duidelijk op bewoning.

Buiten het in de Romeinse tijd bewoonde gebied zijn sporen van twee grafvelden gevonden. Het eerste ligt in het oude centrum van Cuijk en strekt zich in zuidelijke richting langs de Grotestraat uit. De onderzochte graven liggen voor het merendeel haaks op de Romeinse weg. Het wegdek van deze Romeinse weg was op een paar plaatsen onder of dicht bij de huidige Grotestraat te zien. Een tweede grafveld bevindt zich noordwestelijk van het centrum van Cuijk, op de Heeswijkse Kampen.

 

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Laatmiddeleeuwse Kelder

Direct bij het begin van het archeologische onderzoek werd een stuk muur vrijgelegd. Door de aandacht die verschillende media aan dit muurwerk gaven, kwamen veel mensen uit Cuijk een kijkje nemen bij de opgraving. De muur was opgetrokken uit tufsteen, een vulkanisch gesteente uit de Eifel. Deze steensoort is een typisch Romeins bouwmateriaal en daarom werd in eerste instantie gedacht dat we hier te maken hadden met muurwerk uit de tweede of derde eeuw van onze jaartelling.

Toen enkele weken later aan de voet van de muur laatmiddeleeuws aardewerk werd gevonden, werd duidelijk dat het hier niet om muurwerk uit de Romeinse tijd ging. Verder onderzoek maakte duidelijk dat we te maken hadden met een deel van de oostelijke muur van een kelder. Waarschijnlijk heeft in die tijd een belangrijke inwoner van Cuijk, dicht bij de burcht van de Heren van Cuijk, een huis gebouwd met een stenen kelder.

Voor Cuijk is dit de eerste keer dat er zo’n belangrijke vondst is gedaan. Op andere plaatsen, zoals in Nijmegen, zijn ook resten van zulke natuurstenen kelders uit die tijd gevonden. Ook deze waren van de lokale elite. Uit bestudering van de stenen blijkt dat de keldermuur is opgebouwd uit Romeinse verzaagde blokken. Dit tufsteen is waarschijnlijk afkomstig van het derde-eeuwse badhuis dat hier heeft gestaan of van het laatromeinse fort op de oever van de Maas.

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het Onderzoek

Dat er voor de bouw van de winkelpassage op de voormalige percelen Grotestraat 18-24 archeologisch onderzoek plaats zou moeten vinden, was al lange tijd duidelijk. Archeologen van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) hadden in samenwerking met lokale amateur-archeologen op het aangrenzende terrein van de voormalige Hubo namelijk al eerder een Romeinse kelder kunnen onderzoeken. Het was dan ook niet verwonderlijk dat na een verzoek van de ROB de Gemeente Cuijk en de Provincie Noord-Brabant met geld over de brug kwamen om het archeologisch onderzoek uit te kunnen voeren.

De ROB vroeg de archeologen van de Gemeente Nijmegen om het onderzoek uit te voeren. Tijdens de opgraving werden zij geassisteerd door amateur-archeologen uit Cuijk en Beers. Op een diepte van ruim anderhalve meter werden onder een dik pakket van Romeinse en latere ophogingen een groot aantal verkleuringen gevonden. Uit de wirwar van deze grondsporen kon een aantal funderingsgreppels geïsoleerd worden van drie houten gebouwen. Alle drie lijken gelijktijdig minstens twee keer verbouwd te zijn. De verschillende bouwfasen zijn nog niet helemaal uitgewerkt en gedateerd. Het lijkt er echter op dat de oudste fase kort voor het midden van de eerste eeuw na Christus gedateerd moet worden. Dit zou kunnen worden geconcludeerd uit de scherven in de vulling van de greppels.

Het gaat om houten huizen van ongeveer 35 meter lang en 9 meter breed. De voorkant van deze huizen ligt aan de Romeinse weg, die onder de huidige Grotestraat gezocht moet worden. De precieze functie is nog onbekend. Wel is duidelijk dat ze deel uitmaakten van de vicus, de burgerlijke nederzetting rond de militaire versterking die in dezelfde tijd in Cuijk is gebouwd.
In de tweede en derde bouwfase werden de huizen ingekort tot zo'n 20 meter.

Binnen de huizen waren werkplaatsen ingericht waar ijzer en brons werden bewerkt. Dit blijkt uit de slakken die zijn gevonden. Hiermee lijken de gevonden huizen annex werkplaatsen op gebouwen die elders in vergelijkbare nederzettingen bij militaire versterkingen zijn gevonden. De bewoners verdienden de kost met hun werkzaamheden voor de soldaten en voor de bevolking van de regio rond Cuijk. De huizen zelf waren eenvoudig van aard met lemen wanden en een rieten dak. Op de achtererven zijn enkele waterputten gevonden die zeker meer dan vijf meter diep zijn ingegraven.

Gezien de verbrande resten van de lemen wanden lijken de huizen van periode twee door brand verwoest te zijn. Wanneer die brand heeft plaatsgevonden, is nog niet helemaal duidelijk, maar zeker nog in de eerste eeuw. In een kuil die waarschijnlijk uit periode drie stamt, is een grote hoeveelheid ijzer gevonden. Het lijkt een voorraadje oud ijzer van een smid te zijn, maar wat de bijna twintig munten in deze kuil doen, is een raadsel. Tot hoe ver in de tweede eeuw deze huizen hier hebben gestaan, is nog onduidelijk. Dichter bij de kerk in het centrum van Cuijk zijn bij ouder onderzoek resten van een Gallo-Romeinse tempel gevonden.

Rond het jaar 170 lijkt het in onze streken tamelijk onrustig te zijn geweest. Dit blijkt onder andere uit brandlagen in steden als Tongeren en Nijmegen. Wat er zich in die tijd in Cuijk heeft afgespeeld, weten we nog niet. Tijdens het onderzoek aan de Grotestraat zijn op ongeveer 80 centimeter onder het maaiveld de dieper gelegen funderingsresten van een groot gebouw gevonden. Op drie plaatsen moeten de houten wandpalen op grote molenstenen hebben gestaan, die als poeren of stiepen hebben gediend. Andere palen waren op in kuilen gegooide stukken dakpan gefundeerd.

De functie van dit grote gebouw met een stenen fundering en een pannen dak was niet duidelijk tot op een iets dieper gelegen plek een halfrond vloertje met een tufstenen muurtje er omheen werd gevonden. De binnenkant was afgesmeerd met een pleisterlaag. Waarschijnlijk gaat het om een kleine apsis van een Romeins badhuis, die bewaard is gebleven doordat de vloer door haar eigen gewicht in de loop van de tijd in een oudere waterput is weggezakt. Deze waterput lijkt in het begin van de derde eeuw gedateerd te moeten worden. In de buurt bevond zich nog een klein stukje van een goot van tufsteen, een waterleiding?

Ook iets verder weg is een deel van een dergelijke goot gevonden. Deze had een bodem van liggende dakpannen, terwijl de wanden voornamelijk van ijzeroer waren. Op twee plaatsen zijn ‘zinkputten' van urinoirs gevonden. Op een aantal andere plekken zijn haardplaatsen gevonden. Werd hier het water voor het badhuis verwarmd?

De plattegrond van dit eens imposante bouwwerk is slechts voor een klein deel bewaard gebleven doordat de bouwstenen in de late middeleeuwen opnieuw zijn gebruikt. Bovendien zullen de ploeg van de boer en bouwactiviteiten in meer recente tijd ook hebben bijgedragen aan het verdwijnen van de resten van dit badhuis.

Uit onderzoek is duidelijk geworden dat in dit deel van het centrum een waardevolle erfenis uit het verleden van Cuijk verborgen ligt. De Romeinse sporen lijken zelfs veel beter bewaard te zijn gebleven dan iedereen tot voor kort dacht. Waarschijnlijk zijn door alle ophogingen de resten van het Romeinse Ceuclum zo goed bewaard gebleven dat we een voor Nederland unieke situatie hebben. Op andere plaatsen zijn vergelijkbare nederzettingen door latere bouwactiviteiten of riviererosie namelijk voor een groot deel vernietigd.

Met de sporen van het oudste Cuijk moeten we zuinig omspringen en als er in de (nabije) toekomst in dit gebied een schop de grond in gaat moet dit in goed overleg gaan. In ieder geval zal iedere keer weer archeologisch onderzoek nodig zijn op die plaatsen waar het archeologische erfgoed niet gehandhaafd kan blijven.

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op zoek naar het verre verleden van De Nielt: de oudste vondst

Op het gehele terrein worden archeologische vondsten uit een ver verleden aangetroffen. De oudste vondst duidt op de aanwezigheid van jager-verzamelaarsgroepen in het laatste deel van de vroege steentijd. Een zogenoemde Tjongerspits, een bekend type vuurstenen pijlpunt, is hier ergens tussen 11800 en 9300 jaar geleden door een jager afgeschoten. Andere vuurstenen werktuigen uit de steentijd worden op De Nielt geregeld gevonden maar zijn minder oud dan de hierboven genoemde spits. Steeds bleek de hoge zandrug met aangrenzende natte laagtes en open water een aantrekkelijke plaats voor de jager-verzamelaars, maar waarschijnlijk ook voor de vroege landbouwers van de nieuwe steentijd. 

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Archeologisch onderzoek op De Nielt

Voordat in de jaren 2000 en 2001 het eerste grootschalig verkennend archeologisch onderzoek in de Heeswijkse Kampen plaatsvond, was de archeologische potentie van De Nielt nog vrijwel onbekend. Sporen uit het verleden konden hier alleen maar worden vermoed. Er waren voorheen immers maar weinig vondsten op het terrein gedaan. Dit in tegenstelling tot de al bebouwde delen van de Heeswijkse Kampen, waar onder meer grafvelden en nederzettingen uit de prehistorie en de Romeinse tijd waren aangetroffen.
Tijdens vooronderzoek werd duidelijk dat De Nielt, van oorsprong een hoge zandkop, tot dan toe verschillende opmerkelijke verrassingen voor ons verborgen had gehouden. Zo werden er in de proefsleuven vuurstenen werktuigen gevonden uit de tweede helft van de Late Steentijd, die dateren vanaf ongeveer 3800 tot 2000 v. Chr. Verder kwamen sporen van woonplaatsen uit de daarop volgende Bronstijd (2000 tot 800 v. Chr.), relicten van houten boerderijen uit de IJzertijd (800 tot 12 v. Chr.) en de resten van één of meerdere nederzettingen uit de Romeinse tijd (12 v. Chr. tot 450 n. Chr.) aan het licht. De grote tijdsdiepte die op het terrein vertegenwoordigd was en de ogenschijnlijk goede conservering van de archeologische resten maakten De Nielt tot een bijzonder en waardevol onderzoeksobject.

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bataafse boerderijen in het zand

Ondanks het grote aantal vondsten en sporen uit de Bronstijd (2000-800 v Chr.) en de IJzertijd (800-12 v Chr.) blijkt de Romeinse tijd (12 v Chr-450 na Chr.) op De Nielt het meest duidelijk vertegenwoordigd. Werd er in het vorige bericht nog gesproken over 9 gebouwplattegronden uit die periode; inmiddels zijn de resten van ca. 24 gebouwen onderzocht. Zij behoren tot een inheemse, waarschijnlijk Bataafse nederzetting. In de meeste gevallen gaat het om boerderijplattegronden, vaak van een type dat zich kenmerkt door de aanwezigheid van in de zandige ondergrond ingegraven wandgreppels. In deze greppels werden de onderkanten van wanden van de huizen geplaatst. In de lengte-as van de boerderij bevond zich een centrale rij dakdragende zware palen. De grootste tot nu toe ontdekte boerderij meet ruim 20 x 7 meter. Een huis met aanbouw, dat nu pas gedeeltelijk is blootgelegd, lijkt dat formaat ruimschoots te gaan overtreffen. Een markant type gebouwplattegrond betreft een horreum. Het gaat hier om een grote, op een platform verhoogde graanopslagplaats van ca. 10 x 10 meter.

Hoewel de werkelijke ontwikkeling van de nederzetting uit de Romeinse tijd nog moet worden ontrafeld, lijkt het er op dat de vroegste bewoning zich op het westelijke deel van de hoge zandrug bevond. In een gevorderde fase van de Late IJzertijd of het begin van de Romeinse periode was hier in elk geval één boerderij aanwezig. Tijdens de opgraving daarvan zijn in de greppels en in de paalsporen verschillende fragmenten van al dan niet versierde glazen armbanden en kenmerkend handgevormd aardewerk gevonden. In de eerste eeuw na Chr. hebben er op dat westelijke terreindeel nog verschillende boerderijen met hun bijgebouwen gestaan. Hoeveel er daarvan werkelijk gelijktijdig zijn geweest valt nog niet te bepalen. De bewoning uit de tweede eeuw lijkt iets verder naar het oosten op dezelfde zandrug te hebben plaatsgevonden. Hier zijn verschillende wandgreppelboerderijen met bijgebouwen blootgelegd. In tegenstelling tot het in de eerste eeuw bewoonde areaal, waar met de hand gevormde potten de norm lijken, vinden we in dit gedeelte vooral op de draaischijf gemaakt aardewerk. Ook vinden we hier fragmenten van Romeinse dakpannen. Of die hier werkelijk als dakbedekking op de huizen hebben gelegen, of dat zij ergens anders voor gediend hebben, bijvoorbeeld als plaveisel voor stookplaatsen, moet nog worden onderzocht. Vondsten van ijzer en brons komen in de nederzetting ook voor. Zo zijn er enkele Romeinse munten en een aantal fibulae of mantelspelden naar boven gebracht. Dergelijke mantelspelden waren al in de IJzertijd een belangrijk onderdeel van de klederdracht. De hier gevonden exemplaren zijn echter typisch voor de eerste eeuwen van onze jaartelling. Een opmerkelijke vondst betreft een ijzeren rooster of ‘komfoor’ die in een kuil is gevonden.

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Germanen op Cuijkse gronden

Nederzettingssporen die duidelijk in de derde eeuw te dateren zijn, ontbreken vooralsnog. Dat er daarna in de Romeinse Tijd nog wel degelijk gewoond werd op De Nielt, is duidelijk door de zogenoemde hutkommen, een vermoedelijke huisplattegrond en het karakteristieke aardewerk dat daarin is gevonden. Hutkommen zijn half in de grond ingegraven gebouwtjes voorzien van een dak, waarin ambachtelijke werkzaamheden konden worden uitgevoerd of waarin vergankelijke producten koel gehouden konden worden. Dit gebouwtype komt ten zuiden van de Maas eigenlijk pas vanaf de late derde eeuw voor en wordt vooral toegeschreven aan Germaanse kolonisten die van buiten het Romeinse rijk afkomstig waren. Bij de Havenlaan is enkele jaren geleden al een dergelijke derde eeuwse hutkom met ‘Germaans’aardewerk opgegraven. Het aardewerk dat is gevonden in de hutkommen op De Nielt, vooral scherven van zogenaamde voetbekers, duiden op een datering in de vierde eeuw, de tijd dat het castellum van Cuijk zijn bloeiperiode kende.  

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De middeleeuwen in beeld!

Uit de periode na de Romeinse tijd, de Vroege Middeleeuwen, zijn tot op heden geen enkele sporen aangetroffen. De Nielt lijkt vooralsnog na de vierde eeuw te zijn verlaten als nederzettingsterrein. Pas in een gevorderd stadium van de Middeleeuwen, misschien in de 11e of 12e eeuw lijkt er voor het eerst weer een boerderij te zijn gebouwd. Het gaat om resten van een houten huis van het zogenaamde ‘bootvormige’ type. Daarnaast stonden enkele kleine bijgebouwen. De middeleeuwse woonplaats op De Nielt was zeker geen lang leven beschoren. Deze lijkt al snel te zijn verplaatst naar een andere locatie. Er is hier tijdens de Middeleeuwen geen huis meer herbouwd.

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Nielt in latere tijden

Dat er na de Middeleeuwen weer is gewoond, is niet alleen duidelijk door de aanwezigheid van nog tot voor kort functionerende boerderijen op ‘De Nielt’. Zij komen ook al voor op oude kaarten. De opgravingen op de westpunt van De Nielt, enkele honderden meters verwijderd van deze boerderijen, hebben enkele sporen opgeleverd die mogelijk uit de 16e of de 17e eeuw stammen. Een waterput, gemaakt van taps toelopende bakstenen, heeft ongetwijfeld gehoord tot een boerderij die hier in die periode heeft gestaan. Muurresten van dat huis zelf zijn niet teruggevonden. Wel zijn er enkele veldbrandovens voor de productie van bakstenen opgegraven. Eén daarvan zou zeer wel mogelijk met de bouw van dat missende huis te maken gehad kunnen hebben.

 

Terug naar Langs de Maas.nl
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Vervolgonderzoek

Nu, ongeveer vijf jaar na het eerste vooronderzoek, is het grootschalige vervolgonderzoek al weer twee maanden bezig. Er is nu al meer dan een hectare blootgelegd. De verwachtingen die voortkwamen uit het proefsleuvenonderzoek zijn bevestigd, zo niet overtroffen. Sporen uit de Bronstijd, vooral in de vorm van kuilen, paalsporen en gebruiksvoorwerpen, tonen aan dat er destijds verspreid op de zandkop boerenerven aanwezig waren. Nederzettingssporen uit verschillende fasen van de IJzertijd blijken op vrijwel het gehele hoge gedeelte van De Nielt voor te komen. De Romeinse tijd lijkt met de resten van ten minste negen houten boerderijen tot nu toe het best vertegenwoordigd. Het betreft een nederzetting van de inheemse bevolking. De bevindingen zijn onder meer van belang om de relatie tussen een regionaal centrum zoals Cuijk dat in de Romeinse tijd was (Ceuclum) en het directe achterland te bestuderen. Hoe reageerde de inheemse bevolking in de eerste eeuw na Chr. op de inrichting van een (vermoed) militair fort en de ontwikkeling van een klein stedelijk centrum (vicus)? In hoeverre is de bloeiperiode van Ceuclum in de tweede eeuw na Chr. en de militaire aanwezigheid in het vierde-eeuwse castellum weerspiegeld in de archeologie van de inheemse nederzettingen?

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tenslotte

Het beschrijven van de geschiedenis van Cuijk blijkt niet eenvoudig.

Hoe dan ook, we kunnen concluderen dat Cuijk in de loop der eeuwen een ware gedaanteverwisseling heeft ondergaan.

Tekst: Annemarie Kissing voor Langs de Maas.nl

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bezienswaardigheden

·         Amerika museum

·         Fotoarchiefdienst Cuijk

·         Museum Ceuclum

·         St. Martinuskerk

·         Vrije markt

·         Jan van Cuijk molen

·         VVV Cuijk

·         Culturele route

·         Middeleeuwse waterput

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bronnen

·         Dr. J.A. Coldeweij, proefschrift over de Heren van Cuijk in de periode 1096 - 1400. Leiden 1982.

·         H.J. van Hulten, Brokstukken uit de geschiedenis van het Land van Cuijk, deel II. Haps 1961

·         Diverse publicaties door de Streekarchiefdienst van het Land van Cuijk te Grave

·         Archiefdienst Land van Cuijk in Grave

·         Foto Archiefdienst Cuijk 

·         Website gemeente Cuijk

·         De werkgroep Archeologie Cuijk

·         Stichting Mergor in Mosam

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Websites

·         www.fotoarchiefdienst.nl

·         http://nl.wikipedia.org/wiki/Cuijk

·         www.cuijk.nl

·         http://www.cuijk-web.nl

·         www.langsdemaas.nl

·         www.bhic.nl/cuijk

 

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer links over Cuijk klik hier

 

 

Terug naar Langs de Maas.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Gebruikersvoorwaarden
Copyright
De content is beschermd door het auteurs- en databankenrecht. Verveelvoudiging en/of openbaarmaking, anders dan voor eigen niet-commercieel gebruik overeenkomstig onze gebruiksvoorwaarden, zijn zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de aanbieder van de content niet toegestaan.
Gebruiksvoorwaarden
De player is alleen bedoeld voor eigen raadpleging via normaal browser-bezoek. Het is niet toegestaan om de content op geautomatiseerde wijze te (laten) raadplegen, bijvoorbeeld via scripts, spiders en/of bots. Eventuele hyperlinks dienen bezoekers rechtstreeks te leiden naar de context, waarbinnen de Langs de Maas.nl de content aanbiedt, dwz. de player. Overneming, inframing, herpublicatie, of iedere bewerking van of toevoeging aan deze context zijn dus niet toegestaan. Eveneens is het niet toegestaan technische beveiligingen te omzeilen of te verwijderen, of dit voor anderen mogelijk te maken.
Disclaimer
Hoewel de informatie op deze website met zorg wordt samengesteld, is het mogelijk dat deze informatie onvolledig is en/of onjuistheden bevat.
Wij aanvaarden geen enkele aansprakelijkheid voor directe of indirecte schade, van welke aard dan ook, voortvloeiende uit het gebruik van deze player en/of de aangeboden content.
privacyverklaring
Cookies
Tijdens het gebruik van deze player wordt (met behulp van Nedstat) door de aanbieder van de content een zogenaamd ‘cookie’ (klein bestandje) op de harde schijf van uw pc aangemaakt. Dit wordt gedaan om uw instellingen te behouden zodat het gebruik van onze site wordt vergemakkelijkt. Daarnaast geeft het inzicht in het gebruik van de player. Deze gegevens worden niet gebruikt om bezoekers persoonlijk te identificeren. U kunt zelf bepalen of u cookies wilt accepteren. Het weigeren van cookies kan echter tot gevolg hebben dat sommige onderdelen van onze site niet (goed) werken.
Beveiliging van persoonlijke gegevens
Indien van toepassing zullen persoonlijke gegevens worden opgeslagen op beveiligde webservers die zich in een beveiligde computerruimte bevinden. Bij het bezoeken van de website worden geen persoonlijke gegevens opgeslagen, dit gebeurd alleen als u gebruikt maakt van het gastenboek.
Wijzigingen in de privacyverklaring
Wij behouden ons het recht voor deze privacyverklaring aan te passen. Het is verstandig om de privacyverklaring regelmatig te lezen om op de hoogte te blijven van de wijze waarop de uw persoonlijke gegevens worden verwerkt. Als de privacyverklaring ingrijpend wordt gewijzigd, wordt dit duidelijk gemeld.

Terug naar Langs de Maas.nl

www.paladijntje.nl

10-06-2010 10:51 ©by Paladijntje.nl C. de Vries ++31 (0)485-800484