Cuijk is oud, héél oud, de naam Cuijk
is zelfs afgeleid van het Indogermaanse of Keltische woord ‘Keukja’ wat
‘kromming’ of ‘bocht’ betekent. Iedereen die Cuijk en haar ligging kent
begrijpt dat dit slaat op de kromming of bocht in de Maas ter hoogte van
het huidige dorp Cuijk. ‘Keukja’ werd in het Romaans verbasterd tot
‘Ceuclum’ en eindigende uiteindelijk in de naam Cuijk.
Honderden jaren voor Christus woonden
er al mensen in deze streek. Dat blijkt duidelijk uit de vele
prehistorische bodemvondsten. Waarom precies hier? Omdat de Kelten ook
niet dom waren, hier vonden ze hogere plaatsen langs de woeste Maas. En
deze hogere plaatsen boden hun woonplaatsen bescherming tegen de (vele)
overstromingen van de Maas. Zodoende ontstond hier een nederzetting.
Deze Kelten woonden in houten schuren
of hutten. Om in hun levensonderhoud te voorzien, bebouwden ze het land
en hielden vee. Zij kregen kinderen, leefden hun kommervolle leven en
stierven. De nabestaanden cremeerden hun overledenen en deden de as in
urnen. Vervolgens werden deze urnen in grafvelden geplaatst. Deze velden
werden bedekt met aarde en zo ontstonden er grafheuvels. Vaak hadden
deze heuvels een opening op het oosten, waarschijnlijk met religieuze
redenen waar wij nu weinig meer van weten. Dergelijke grafheuvels,
gedateerd tot ongeveer 700 jaar voor Christus, zijn aangetroffen op het
Kampse Veld in Haps. Ook in Cuijk zelf zijn zowel in 1825 (De Kalkhof)
en 1844 (De Hanshof) dergelijke heuvels gevonden.
Recentere vondsten, bijvoorbeeld van
vuurstenen werktuigen rondom de Kraaijenbergse en Heeswijkse Plassen en
in de Heeswijkse Kampen, bevestigen de bewoning van dit gebied in die
tijd en vermoedelijk zelfs eerder. Cuijk en omgeving werd dus ruim voor
onze jaartelling al bewoond door Kelten. Hun nederzetting was nog
aanwezig toen de Romeinen zich hier vlak na het begin van onze
jaartelling vestigden.
Toen keizer Julius Caesar kort voor
onze jaartelling Gallië veroverde en de Romeinse invloed doordrong tot
het gebied rond Cuijk, veranderde hier veel. Een rij plaatsen waarin
Romeinse legioenen waren gelegerd (de Castelia) zorgde voor de
verdediging van de grenzen van het Romeinse rijk. Voorbeelden van zo’n
“rij” zijn Nijmegen, Xanten, Keulen en Bonn. Deze
legerplaatsen waren met elkaar verbonden door wegen. Eén van deze wegen
liep van Nijmegen naar Tongeren, via Cuijk. In de vorige eeuw zijn
talloze sporen van deze weg gevonden. Op een middeleeuwse ‘natekening’
van een Romeinse wegenkaart, de zogenaamde ‘Peutinger kaart’, zijn de
wegen aangegeven met hun afstandsmaten en worden de voornaamste Romeinse
nederzettingen aangeduid door een bouwwerk. Naast Nijmegen staat hierop
ook Ceuclum, het tegenwoordige Cuijk, vermeld.
Cuijk was in de Romeinse tijd dus een
belangrijke nederzetting langs de Maas. Tijdens opgravingen werd in 1846
een compleet Romeins graf met voorwerpen van het warmrode
Terra-Sigillata-aardewerk en enkele sieraden gevonden. Ook in 1912, toen
de oude dorpskerk plaats moest maken voor de huidige neogotische Sint
Martinuskerk, werden veel muurresten en voorwerpen uit de Romeinse tijd
ontdekt. En in de jaren zestig, tijdens de aanleg van de Maasboulevard
kwamen veel Romeinse vondsten te voorschijn. Ook op andere plaatsen in
Cuijk zijn Romeinse resten gevonden. Zo vonden archeologen bij de
Hervormde Kerk een nederzetting van ambachtslieden, kooplui en andere
personen, die in hun bestaan betrokken waren bij de dienstverlening aan
of bevoorrading van het Romeinse Castellum. Door middel van deze en
andere opgravingen, waarbij muurrestanten en dergelijke bloot kwamen
heeft men kunnen vaststellen waar de Romeinse vesting (“Castellum”) was
gevestigd. Dit was ruwweg het gebied tussen de (huidige) Maasstraat,
Grotestraat, Deken v.d.Ackerhof en de Maas. Sporen zijn echter ook
gevonden richting Markt en Nutricia en richting Schoolstraat. Dit
Romeinse Castellum had onder zijn verantwoordelijkheid de bescherming
van de hier gelegen oversteekplaats in de Maas. Aangezien deze
oversteekplaats een onderdeel was van de belangrijke Romeinse weg, die
liep van Tongeren via Cuijk en Blerick naar Nijmegen. Dit Noviomagum
(Nijmegen) was een belangrijk bolwerk dat mede de noordelijke grens
beschermde van het Romeinse rijk.
Naar wij mogen aannemen zijn de Romeinen omstreeks het jaar 400 uit
Nederland dus ook uit Cuijk verdwenen. Met onderbrekingen zijn ze hier
een kleine 4 eeuwen aanwezig geweest, ter bescherming van de
“oversteekplaats” in de Maas. Zoals wij sinds enkele jaren definitief
weten hadden zij in hun laatste periode de beschikking over een brug,
waarvan restanten zijn teruggevonden waardoor de juiste plaats kon
worden bepaald. Met het vertrek van de Romeinen verdween ook een stuk
beschaving en van het tijdvak 400 tot 1000 weten we eigenlijk vrij
weinig. Wel is er bewoning gebleven, want het was tenslotte een hogere
plaats langs de rivier. Na het vertrek van de Romeinen werd de streek
onder andere bewoond door de Franken.
De kerstening van Cuijk moet omstreeks
800 hebben plaatsgevonden, omdat de kerk is toegewijd aan St.Maarten,
een heilige, die in die tijd werd vereerd. Cuijk moet op kerkelijk
gebied nogal wat invloed hebben gehad, want er was een dekenaat Cuijk
met een groot gebied van Blerick tot en met het latere Den Bosch.
Staatkundig lag dit gebied in Lotharingen, waarvan het gezag bij de
Duitse koningen en keizers lag. In die tijd werden delen van een gebied
vaker in leen uitgegeven; dit gebeurde ook met ons gebied, het werd een
zelfstandig rijksleen. Het kwam in de 10e eeuw in leen bij de
heren van Malsen (het tegenwoordige Geldermalsen).
De Heren
van Cuijk komen van oorsprong uit de Betuwe. Vanaf de 11e
eeuw zijn zij ‘historisch aantoonbaar’. De naam Cuijk (Henricus de Kuc
of Kuyc) wordt voor het eerst in 1096 in een oorkonde vermeld. De
leenheren noemden het gebied het “Land van Cuijk” en zichzelf “Heren van
Cuijk”. Het geslacht van Cuijk is afkomstig uit de gouw Teisterbant.
Vooral rondom Geldermalsen en Meteren had de familie veel goederen. De
gouw Teisterbant is helaas niet precies aan te wijzen. Ze wordt al in
850 genoemd met als graaf “Balderik”. Vanaf circa 1050 geven de
schriftelijke bronnen meer duidelijkheid over de plaats Cuijk en de
heersende familie. Vanaf die tijd wordt de naam Cuijk namelijk
toegevoegd aan de persoonsnamen, genoemd naar het stamgoed. Voor die
tijd noemde men zich Van Kuyc of ook Van Malsen. De familie had veel
bezittingen en nauwe banden met de Graven van Holland, Gelre en
Vlaanderen, de Hertog van Brabant, de Koning van Engeland en de
bisschoppen van Keulen en Utrecht. In de 13e eeuw werd de
gouw Teisterbant verdeeld tussen Cuijk, Gelder en het Stichtse bisdom.
De
oorspronkelijke heren van Cuijk zijn aan het bewind geweest van 1096 tot
1400 en vooral Jan I van Cuijk nam een voorname plaats in. Een beeld van
hem stond bij het viaduct in de Maasstraat, in 2008 ter gelegenheid van
700 jaar Jan van Cuijk is er een bronzen afgietsel gemaakt. Het stenen
origineel gaat naar binnen en de bronzen kopie komt voor het
gemeentehuis te staan. Wel was het zo dat
hun kasteel vanaf 1137 niet meer in Cuijk zelf stond maar in Grave. In
die plaats kwam toen ook het bestuurscentrum, maar een aantal zaken
bleef in de plaats Cuijk zelf. De Hoofdbank (het huis voor onder andere
rechtspraak) bleef in Cuijk en ook de Landdag (een soort
dorpenvertegenwoordiging) kwam jaarlijks in de Cuijkse kerk bijeen. Bij
de Hoofdbank konden niet alleen de dorpsbanken van Escharen tot Maashees
in beroep gaan, maar ook die van het vrijwel onafhankelijke Boxmeer.
Heel
belangrijk voor het Land van Cuijk was Heer Jan I van Cuijk (1230 -
1308). Jan werd geboren omstreeks 1230 en volgde in 1254 zijn vader
Hendrik III op als Heer van Cuijk. Omstreeks 1260 trouwde hij met Jutta
van Nassau. Zij was een dochter van Hendrik van Nassau, een
rechtstreekse voorvader van Prins Willem van Oranje. Er zijn negen
kinderen uit dit huwelijk bekend.
Heer Jan I
van Cuijk ‘regeerde’ van 1265 tot 1308 en verbleef meestal op zijn
kasteel in Grave. Hij was een bijzondere ridder en regeerder uit een
beroemd geslacht. Met in zijn wapen de nog steeds gebruikte acht
‘merletten’ vocht hij aan de kant van Hertog Jan van Brabant tegen de
Geldersen, de Limburgers en de Keulsen. Jan I van Cuijk nam deel aan
veel veldtochten in de omgeving, waaronder de slag bij Woeringen nabij
Keulen in 1288. Deze slag bracht een historisch keerpunt in de
geschiedenis van de Nederlanden en het Nederrijn gebied. Hij wordt
uitvoerig vermeld in de ‘Yeeste van den slag bij Woeronc’ van Jan van
Heelu, een enorm heldendicht op hertog Jan I van Brabant, de grote
overwinnaar in de slag tegen onder anderen de aartsbisschop Siegfried
van Keulen, Graaf Reinoud van Gelre en Graf Hendrik van Luxemburg. De
inzet was de erfelijke rechten op Limburg en de uitslag: Jan van Brabant
met aanhang won. Ook bij de Guldensporenslag in 1302 hoorde Jan bij de
winnaars, deze keer aan de kant van Reinoud van Gelre en de Vlamingen
tegen de Fransen.
Een minder
fraaie rol speelde Jan in 1296 echter in de samenzwering van de edelen
tegen graaf Floris V van Holland. Deze zou op verzoek van de Engelse
koning gevangen genomen worden tijdens een jachtfeest en daarna naar
Engeland gebracht. Het liep echter uit op moord.
In 1308,
kort voor zijn dood heeft hij echter een daad gesteld die van groot
belang is geweest voor de bevolking. Hij besloot om de zogenaamde ‘gemeynten’,
de gemeentegronden in het Nederampt, aan de parochiedorpen en
onderhorigen daaraan, over te dragen. Deze gronden, die over het geheel
nog woest waren (totaal ca. 7.000 hectare), stelde hij daardoor gratis
ter beschikking van de inwoners van de dorpen om er de paarden, vee en
schapen op te weiden en er heideplaggen van te halen voor de potstallen.
De kleine boeren vooral waren daar erg mee gebaat. Jan I van Cuijk was
ook de stichter van het Graafse Sint Catharinagasthuis.
Heer Jan I stierf op 13 juli 1308 en werd met de grootste eer, ‘met
voordragen van wapen en schild’ begraven in de St. Elisabethkerk te
Grave.
De
graafschap Cuijk, later heerlijkheid van Cuijk genoemd, heeft gedurende
een lange tijd een belangrijke positie ingenomen, zowel regionaal als
internationaal. In diplomatieke kringen speelden de Heren van Cuijk (en
indirect ook de dames natuurlijk) een belangrijke rol in de 12e
tot en met de 14e eeuw. Het proefschrift van dr. J.A.
Coldewey heet dan ook ‘Over de invloed van de Heren van Cuijk
(1096-1400)’. Verder waren vanaf circa 1215 in Cuijk jaarmarkten, een
bevestiging van de centrumpositie. Omstreeks 1485 was er een grote
brand, waarbij ook de toenmalige kerk verloren ging. Uit die tijd stamt
de bouw van een andere kerk met toren. De kerk is in deze eeuw vervangen
door de huidige kerk, de toren - als gemeentelijk eigendom - is bewaard
gebleven. In deze toren is nu het museum Ceuclum gevestigd.
Een paar
voorbeelden ter illustratie:
Het Land
van Cuijk was de bufferstaat tussen Brabant en Gelre; In de 12e
eeuw waren er onder meer twee bisschoppen uit de familie Van Cuijk aan
de macht in Utrecht en Luik; Jan I was onder meer diplomaat in dienst
van de koning van Engeland en vertrouweling van Hertog Jan van Brabant.
Waar woonden de van Cuijk’s? Het oudste kasteel van de familie in dit
gebied heeft waarschijnlijk in Cuijk op dezelfde plaats gestaan als de
tegenwoordige St. Martinuskerk. Bij opgravingen in 1964-1966 onder
leiding van professor dr. J.E. Bogaers is een rondlopende gracht
teruggevonden. De jongste aardewerkfragmenten daaruit zijn te dateren in
de 12e eeuw. Dit gegeven sluit aan bij berichten over de
verwoesting van heel Cuijk in 1133 door de Graaf Dirk VI van Holland als
wraak voor de moord op zijn broer Floris de Zwarte.
Godfried
van Cuijk kreeg daarna van keizer Lotharius toestemming om een nieuw
kasteel te bouwen. Hiervoor werd een plaats uitgekozen op een
strategische positie bij de Maas en aan de grote weg van Nijmegen naar
Brabant, het tegenwoordige Grave. Dit kasteel is blijven bestaan tot
1674. Van de beschikbare gegevens is in 1980 een maquette samengesteld
door leden van de Graafse Stichting Graeft Voort.
Het
familiewapen is bekend van zegels aan oorkonden en akten en uit
beschrijvingen van de wapenschilden. Het oudste zegel is van omstreeks
1200 van Hendrik van Cuijk en bevat alleen de twee horizontale balken.
Het wapenschild dat ook nu nog het Cuijkse gemeentewapen is, wordt als
volgt omschreven: het schild is van goud met twee balken en acht
merletten alle in rood. Het zegel met de acht merletten werd voor het
eerst toegepast door Albert van Cuijk, die leefde tot 1233.
Ook de Tachtigjarige oorlog ging niet
geruisloos aan Cuijk voorbij. Spaanse belegeringen van zowel kasteel
Middelaar als Bleijenbeek onder Afferden brachten voor de bevolking veel
ellende. Na de verovering van Grave door prins Maurits in september
1602, werd het Land van Cuijk een zwevend niemandsland tussen Staats en
Spaans gebied. Een bende Kroaten, die deelnamen aan de belegering van de
Schenken- schans in Nijmegen heeft in 1635 nog brand gesticht.
Bij de vrede van Munster in 1648 werd
de Cuijkse parochiekerk toegewezen aan de protestanten. Veel altaren en
beelden werden ten gevolge van de beeldenstorm uit de dorpskerk
verwijderd. Cuijk vormde in die tijd een klein bestuurscentrum en er
woonden nogal wat protestantse ambtenaren. Met enkele anderen vormden
zij ongeveer tien procent van de bevolking. De Cuijkse katholieken
bezochten rond 1650 samen met hun geloofsgenoten uit Haps een kerkenhuis
‘even over de grens’ in Oeffelt, dat toen nog bij Kleef hoorde. Toen de
tijden weer soepeler werden, betrokken zij een bescheiden kerkgebouw in
de Molenstraat in Cuijk. Dit duurde tot ongeveer 1800. In dat jaar werd
de oude kerk, onder protest van de protestanten of gereformeerden, aan
de katholieken terug gegeven. Helaas konden de katholieken slechts kort
van “hun” kerk genieten, want de kerk werd rond 1845 door een brand
verwoest. Na herbouwd te zijn kwam het eind voor deze kerk in 1912 door
middel van de slopershamer.
In 1712 vernietigde een grote brand
nagenoeg heel Cuijk. Besloten werd om bij de herbouw van de verloren
gegane bouwwerken, in plaats van de gebruikelijke daken van stro,
voortaan pannendaken te gebruiken. In die tijd stond bij de dorpskerk
het ‘rechtshuis’, een voorloper van het nu afgebroken raadhuis in de
Maasstraat. De meeste inwoners werkten in de landbouw of veeteelt, de
kleine nijverheid of de scheepvaart. Cuijk bleef echter bescheiden van
omvang. Maar toch, op de stad Grave en de ‘zelfstandige vlek’ Boxmeer
na, was het wel het dichtstbevolkte dorp van het Land van Cuijk. Volgens
een opgave uit het jaar 1785 had Cuijk in die tijd 201 huizen, 258
gezinnen, 60 schuren, één kerk, één kasteel, 87 paarden, 263 runderen,
73 karren, 49 bakovens en één wind- en rosmolen.
In 1795 ontstond de Bataafse Republiek,
later gevolgd door de inlijving bij Frankrijk. Alle zogenaamde
“heerlijke” rechten werden afgeschaft, want althans in theorie was er
vrijheid, gelijkheid en broederschap. Dit had o.a. tot gevolg, dat de
katholieken weer in het bezit kwamen van de Martinuskerk, dit rond 1800.
In 1809/1810 werd met subsidie van de overheid een nieuw eigen kerkje
voor de Protestanten gebouwd aan het zuideinde van de Grotestraat hoek
Markt, die kerk staat er nog steeds.
Hoofdbronnen van bestaan waren nog
steeds voornamelijk landbouw en veeteelt. Hierbij moeten wij niet uit
het oog verliezen, dat door de overstromingen van de Maas tot aan de
laatste grote ramp in 1926 en de werking van de Beerse Overlaat dit
gebied vooral in de winter veel overlast ondervond en het vaak
geïsoleerd raakte. De ongekanaliseerde Maas zette in de wintermaanden de
lage landen bij Cuijk en Katwijk dikwijls helemaal onder water, vaak tot
aan Den Bosch toe. Herhaaldelijk bezweken de dijken zoals in 1820, 1861
en 1880. De laatste overstroming, die van 1926, was de ergste. Het drama
van de Beerse Maas vormt overigens een verhaal op zichzelf. Deze
overlaat heeft de ontwikkeling van het Land van Cuijk, vergeleken met
andere streken van het expansieve Brabant, erg gestremd. Pas in 1942,
toen de Beerse Maas voorgoed werd gesloten, verbeterde de structuur
aanzienlijk.
Door zijn ligging in het noordoosten
van de provincie, de nukken van de Maas en de overlast van de Beerse
overlaat waren de verbindingen niet optimaal. Cuijk lag er, net zoals de
andere plaatsen in dat gebied, wat geïsoleerd bij. Groot was dan ook het
enthousiasme toen aan het eind van de jaren zeventig in de 18e
eeuw plannen werden ontwikkeld voor het aanleggen van een
treinverbinding tussen Nijmegen en Venlo. Hoewel, het kostte veel moeite
om de verbinding zoals we die nu nog kennen tot stand te brengen.
Oorspronkelijk was het niet de bedoeling om de lijn al bij Cuijk de Maas
te laten passeren, maar deze bijvoorbeeld parallel te laten lopen aan de
(oude) Rijksweg Nijmegen-Venlo. Aan de Limburgse kant van de Maas dus.
Veel acties hebben er echter voor gezorgd dat de spoorweg nu via het
huidige traject loopt.
De aanleg van de spoorweg in de
omgeving van Cuijk verliep redelijk vlot. Het grootste werk was
uiteraard de bouw van de spoorbrug over de Maas. Hiermee werd begonnen
in augustus 1879 en aan het eind van februari 1883 was de klus geklaard.
De lengte van de brug was ruim 354 meter, de kosten bedroegen 579.901
gulden. Uiteraard reed de eerste personentrein op 1 juni 1883 met
feestelijk vertoon over deze voor de streek zo belangrijke verbinding.
Bij de aanleg van een spoorlijn horen natuurlijk ook stations. Het
station in Cuijk werd gebouwd in 1881 en is in zijn (bijna)
oorspronkelijke vorm nog te bewonderen. Dit is mede het resultaat van
een actie opgezet door het gemeentebestuur en de bevolking. In 1975 kwam
namelijk het bericht dat het stationsgebouw gesloopt zou worden en
vervangen door een moderner gebouw. Dit ging de gemeente en haar
inwoners echter te ver. Er was al (te)veel gesloopt en men was bang dat
er weer een stukje geschiedenis verloren zou gaan.
De ontwikkeling die Cuijk in de periode
tot 1930 doormaakte op het gebied van handel, middenstand en industrie
is waarschijnlijk het best te beschrijven aan de hand van een aantal
karakteristieke voorbeelden. Neem het postkantoor. Waarschijnlijk had
Cuijk al in 1850 een hulppostkantoor. Pas in 1883 echter kreeg deze
PTT-vestiging de status van ‘echt’ postkantoor. Het ging hier om het
gebouw op de hoek van de Grotestraat en de Maasstraat. De gemeenteraad
wilde wachten met deze ‘promotie’ totdat de spoorlijn Nijmegen-Venlo
klaar was. Zij wilde liever dat het telegraafverkeer via het
spoorwegstation zou worden afgewerkt. Echter mede op uitdrukkelijk
verzoek van de inwoners, werd in het postkantoor ook het
telegraafkantoor gevestigd.
Ook in die tijd was Cuijk van alle
markten thuis. In 1850 bijvoorbeeld waren er in Cuijk zes jaarmarkten,
met daarnaast een staalmarkt voor de graanhandel waar granen op monster
of staal werden verhandeld. Naast vee werd er vooral vlas en linnen
verhandeld. Tijdens goede jaarmarkten werden er ongeveer 250 runderen
aangevoerd. Later, vanaf 1860, werden bijvoorbeeld 8500 el linnen
verhandeld, 24 el lakens, 4800 pond vlas en 1550 pond wol. In 1895 wordt
het aantal marktdagen uitgebreid tot 13, later zelfs tot 24, met een
aparte paardenmarkt. In 1927 worden bijna 8000 runderen en meer dan
12.000 biggen aangevoerd. We kunnen dus zeggen dat Cuijk in de periode
1850 tot 1930 meer was dan alleen een boerendorp. Er was een bescheiden
textielindustrie, zoals een katoen- en een linnenweverij. Ook was er
bijvoorbeeld de balans-, bascule- en koffiemolenmakerij van Johannes van
Susteren. De firma maakte per jaar ongeveer 5000 koffiemolens, 300
balansen en 75 bascules (een soort weegschaal). Verder kende Cuijk
omstreeks 1860 nog een brandkastmakerij met een productie van zo’n 15
brandkasten per jaar, een bescheiden brandspuitmakerij met twee spuiten
per jaar en twee brouwerijen met in het jaar 1865 een productie van maar
liefst 2630 tonnen bier. Van steeds grotere betekenis werden de
leerlooierijen, het aantal looierijen schommelde tussen vier en tien.
Bij de leerlooierijen van A. Kaal, L. Manders de gebroeders Meijer en
Co., en de gebroeders Manders werkten ieder ongeveer 5 man, terwijl de
machinale stoomleerlooierij van de firma M.B. Regouin er uit springt met
ongeveer 30 man. In 1865 werden bijvoorbeeld 1510 koeievellen, 40
paardenvellen en 470 schapenvellen bewerkt. Ook was er een orgelmakerij,
maar vooral de werkplaats voor kerkornamenten, leverde producten voor de
eredienst (altaren, communiebanken e.d.). Er werden één of twee orgels
per jaar afgeleverd. Een ander bedrijf, actief in dezelfde sector,
maakte in 1865 drie altaren, twee communiebanken, twee koorbanken, drie
biechtstoelen, één lievevrouwetroon èn één beeld ‘voorstellende Heer Jan
I van Cuijk’. Dit laatste beeld is nu nog steeds te zien in de
Maasstraat bij het viaduct. Veel belangrijker voor Cuijk was echter de
sigarenindustrie: zowel sigarenmakerijen als tabakskwekerijen. In 1859
werd 20.000 pond gekerfde tabak verwerkt. Fabrieken zoals Van Dongen &
Reniers. Bij Philipsen & Van Hussen werkten van 1900 tot 1930 ongeveer
50 man. Van Aernsbergen was een bekende en natuurlijk de vestiging van
de fa. J.Baars en Zoon, beter bekend als “Victor Hugo”, gestart in 1907,
hier in werkten in het beginjaar 1907 24 volwassenen en 2 kinderen en in
1930 al 146 mannen, 31 vrouwen en 41 kinderen. Deze sigarenfabriek was
indertijd één van de filialen van de firma J. Baars en Zonen uit
Krommenie. De eerste aanzet werd gemaakt in een klein pand in de
Molenstraat. Toen dit pand te klein werd, zocht men naar een andere
locatie om er een echte fabriek te bouwen. In de Molenstraat lag een
terrein braak. De firma Van Dongen en Reniers had hier al een
sigarenfabriek gebouwd, maar dit bedrijf was door brand verwoest en niet
meer herbouwd. Op dezelfde plaats werd omstreeks 1901 een nieuwe
sigarenfabriek gebouwd. De productie van deze fabriek was ongeveer
100.000 sigaren per dag. Een paar jaar later komen hier de
sigarenmakerijen van A. van Aernsbergen en van J. Baars en Zoon nog
bij. Daarnaast waren er nog een paar smeerkaarsenmakerijen met in 1859
een aflevering van wel 4500 pond kaarsen. Cuijk telde circa acht
schoenmakerijen en een paar zadelmakerijen. Ook de meubelmakerijen
breidden zich steeds uit.
Cuijk ging nog niet echt mee in de
industriële expansie, maar de plaatselijke nijverheid ontwikkelde zich
aardig. Het was een agrarisch getint dorp met een bescheiden nijverheid.
In 1907 staat er op naam van J. Dekker een zuivelfabriek geregistreerd:
Sint Maarten. Er werkten ongeveer 15 man. Vooral na 1900 ontstonden er
nieuwe bedrijven, zoals de melkfabrieken St.Maarten en de Lacto, nu
Nutricia. En een bijzonder initiatief, Cuijk liep hiermee in de regio
sterk voorop, was de stichting van een elektriciteitscentrale in 1909.
Eerst was dit een particulier bedrijf, maar in 1916 nam de gemeente zelf
dit bedrijf over. In 1927 werd het overgedragen aan de PNEM. In 1917
verschijnt er in Cuijk een zoutzuurfabriek door toedoen van de firma G.B.
Wolf. In 1925 waren de bierbrouwerij en ijsfabriek Cevelum er al.
Een gebouw ten slotte dat velen zich
zullen herinneren is ongetwijfeld dat van de Coöperatieve
Handelsvereniging van de NCB, beter bekend als ‘het rattenhuis’. Dit
gebouw stond op de plaats waar eerst de molen van Poos heeft gestaan,
later die van Van der Eyken en nu een supermarkt, langs de spoorlijn bij
de spoorwegovergang.
Op 1 januari 1940 telde Cuijk ongeveer
4600 inwoners, die ondertussen de lange crisistijd met zijn grote
werkloosheid en werkverschaffing achter de rug hadden. Zij woonden in
een bescheiden dorp met een redelijk bedrijfsleven. In 1942 werd de
gemeente Linden opgeheven. Het hoofddorp, Groot-Linden, ging over naar
Beers, terwijl Katwijk en Klein-Linden bij Cuijk werden gevoegd. Tijdens
de Tweede Wereldoorlog lag Cuijk in de periode 17 september 1944 tot
maart 1945 nagenoeg in de frontlinie. Dit kwam omdat het gebied aan de
andere zijde van de Maas, zoals Mook, pas in maart 1945 werd bevrijd. Af
en toe vonden er beschietingen plaats, met als gevolg een aantal
slachtoffers onder de burgerbevolking en materiële schade. Veel huizen
werden verwoest. In Katwijk werd in 1947 een monument opgericht ter
nagedachtenis van de op 10 mei 1940 in de Maassector tussen Katwijk en
Oeffelt gesneuvelde manschappen. Jaarlijks organiseert het Comité
Herdenking en Bezinning met de gemeente Cuijk de nationale herdenking en
de herdenking van de gevallenen op 10 mei 1940 in Katwijk.
Na 1945 werden onder bezielende leiding
van de toenmalige burgemeester Jansen later voortgezet door burgemeester
van Zwieten, de zaken energiek aangepakt. Door zijn gunstige ligging aan
de Maas en de spoorlijn Nijmegen-Venlo en ook door de stimulerende
maatregelen van de regering, kon een industriële ontwikkeling op gang
worden gebracht en brak er voor Cuijk een nieuw tijdperk aan. Er moesten
gebieden worden aangewezen waar de nieuwe industrieën zich konden
vestigen. Er ontstonden twee grote industrieterreinen: ‘De Beijerd en ’t
Riet’ en ‘Haven Cuijk’. Op deze industrieterreinen hebben zich in de
loop der jaren verschillende industriële bedrijven gevestigd.
Zoals de naam van het laatstgenoemde
industrieterrein al doet vermoeden, kwam hier de Cuijkse haven tot
stand. Deze haven staat in open verbinding met de Maas. Een keersluis
zorgt voor de goede waterstand in de haven. Ook kon er dankzij deze
haven met zijn keersluis een doorsteek gemaakt worden van de Maas naar
de Kraaijenbergse Plassen, die een grote rol gaan spelen in de
toekomstige recreatie in de hele streek. Tegelijk met deze expansieve
industrialisatie nam de bevolking van Cuijk in snel tempo toe. Cuijk
groeide bijvoorbeeld van 5645 inwoners in 1950 tot ruim 15.300 inwoners
eind 1975. Op dit moment heeft Cuijk overigens een kleine 25.000
inwoners.
Aan de snel groeiende bevolking moest
goede huisvesting worden geboden. De beschikbare ruimte voor woningen
was snel uitgeput en er moest worden uitgekeken naar nieuwe
woongebieden. Rond 1960 werd een begin gemaakt met de uitbreiding in
noordelijke richting. Zo ontstond Cuijk-Noord, beter bekend als ‘De
Valuwe’. In een vrij snel tempo werd deze wijk volgebouwd. De wijk telt
ongeveer 1550 woningen. In 1970 werd gestart met de wijk ‘Padbroek’ en
in 1980 begon men met de bouw van de wijk ‘Heeswijkse Kampen’.
Uiteraard waren naast woningen ook
andere voorzieningen nodig. Er werden scholen gebouwd in de diverse
wijken, niet alleen voor het kleuter- en basisonderwijs, maar ook een
Lagere Technische School, een school voor Lager Huishoud- en
Nijverheidsonderwijs, de Middelbare Landbouwschool (MAS) en niet te
vergeten het Merletcollege met atheneum, havo- en mavo-opleiding. Het
oude gemeentehuis aan de Maasstraat moest plaatsmaken voor de
Maasboulevard. Een nieuwe gemeentehuis - inmiddels een aantal malen
uitgebreid - kwam aan het Louis Jansenplein. Er werden winkelcentra
aangelegd, zowel in de wijken, als in het centrum. Hiervoor moest wel
het oude Liefdesgesticht op die plaats verdwijnen; een nieuw
bejaardentehuis kwam er aan het eind van de Grotestraat (Porta Caeli).
Dit is al weer vervangen door “Maartenshof”. Het gebouw Victor Hugo
kreeg wat later zijn functie als dienstencentrum. Er kwam een nieuw
postkantoor ondertussen alweer opgeheven en vervangen door een
postagentschap, een arbeidsbureau, een telefooncentrale aan de Veldweg,
straten werden gewijzigd en meer van dit soort zaken. Cuijk kreeg een
zwembad en een sporthal, een sportterrein (de ‘Groenendijkse Kampen’) en
erg belangrijk natuurlijk, de Streekschouwburg. Het winkelcentrum De
Zwaan heeft een ware gedaanteverwisseling ondergaan met o.a. een
doorbraak naar de Grotestraat en een nieuwe naam, namelijk De Maasburg.
Het archeologische onderzoek in Cuijk
kent een lange traditie. Opgravingen in de kern door A.E. van Giffen, J.
Willems en J.E. Bogaers in de jaren 1937-38, 1948 en 1964-66 hebben veel
sporen uit het verleden opgeleverd.
Op basis van uitgevoerd onderzoek mag
worden aangenomen dat de plaatsnaam en de ligging van het huidige Cuijk
overeenkomt met de plaatsnaam Ceuclum op de Tabula Peutingeriana, een
middeleeuwse kopie van een Romeinse wegenkaart. De oudste sporen uit de
eerste helft van de eerste eeuw zijn van een militaire versterking, een
castellum, dat vermoedelijk opgetrokken is onder keizer Claudius
(41-54). Over de aard en de betekenis van deze vestiging bestaan echter
nog de nodige vraagtekens.
Kort na de Bataafse Opstand in 69/70 na
Christus werd het castellum in steen herbouwd, waarna het tot het einde
van de eerste eeuw in gebruik bleef. Nadat de militairen lijken te zijn
vertrokken, ontwikkelde Cuijk zich in de tweede eeuw tot een vicus, een
regionaal centrum voor een groter landelijk gebied. Vooral handel,
ambacht en dienstverlening kenmerkten het karakter van het tweede-eeuwse
Cuijk. Waarschijnlijk is Cuijk ook op religieus gebied van betekenis
geweest. Dit zou kunnen worden geconcludeerd uit de gevonden resten van
tempels op de Maasoever.
Zoals zoveel nederzettingen in het
Benedenrijngebied lijkt Cuijk rond het midden van de derde eeuw te zijn
verlaten. Pas kort na het jaar 320 wordt onder keizer Constantijn de
Grote (306-337), op min of meer dezelfde plaats als de eerste-eeuwse
versterking, een nieuwe fortificatie aangelegd, die omgeven is door een
hout-aarde wal. Het fort lijkt in ieder geval een oppervlak van ongeveer
tweeënhalve hectare gehad te hebben. Vanuit het fort werd de brug over
de Maas bewaakt. Rond het begin van de vijfde eeuw lijkt Cuijk verlaten
te zijn, maar de schaarse bewoningssporen uit de vroege middeleeuwen
wijzen duidelijk op bewoning.
Buiten het in de Romeinse tijd bewoonde
gebied zijn sporen van twee grafvelden gevonden. Het eerste ligt in het
oude centrum van Cuijk en strekt zich in zuidelijke richting langs de
Grotestraat uit. De onderzochte graven liggen voor het merendeel haaks
op de Romeinse weg. Het wegdek van deze Romeinse weg was op een paar
plaatsen onder of dicht bij de huidige Grotestraat te zien. Een tweede
grafveld bevindt zich noordwestelijk van het centrum van Cuijk, op de
Heeswijkse Kampen.
Direct bij het begin van het
archeologische onderzoek werd een stuk muur vrijgelegd. Door de aandacht
die verschillende media aan dit muurwerk gaven, kwamen veel mensen uit
Cuijk een kijkje nemen bij de opgraving. De muur was opgetrokken uit
tufsteen, een vulkanisch gesteente uit de Eifel. Deze steensoort is een
typisch Romeins bouwmateriaal en daarom werd in eerste instantie gedacht
dat we hier te maken hadden met muurwerk uit de tweede of derde eeuw van
onze jaartelling.
Toen enkele weken later aan de voet van
de muur laatmiddeleeuws aardewerk werd gevonden, werd duidelijk dat het
hier niet om muurwerk uit de Romeinse tijd ging. Verder onderzoek maakte
duidelijk dat we te maken hadden met een deel van de oostelijke muur van
een kelder. Waarschijnlijk heeft in die tijd een belangrijke inwoner van
Cuijk, dicht bij de burcht van de Heren van Cuijk, een huis gebouwd met
een stenen kelder.
Voor Cuijk is dit de eerste keer dat er
zo’n belangrijke vondst is gedaan. Op andere plaatsen, zoals in
Nijmegen, zijn ook resten van zulke natuurstenen kelders uit die tijd
gevonden. Ook deze waren van de lokale elite. Uit bestudering van de
stenen blijkt dat de keldermuur is opgebouwd uit Romeinse verzaagde
blokken. Dit tufsteen is waarschijnlijk afkomstig van het derde-eeuwse
badhuis dat hier heeft gestaan of van het laatromeinse fort op de oever
van de Maas.
Dat er voor de bouw van de
winkelpassage op de voormalige percelen Grotestraat 18-24 archeologisch
onderzoek plaats zou moeten vinden, was al lange tijd duidelijk.
Archeologen van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek
(ROB) hadden in samenwerking met lokale amateur-archeologen op het
aangrenzende terrein van de voormalige Hubo namelijk al eerder een
Romeinse kelder kunnen onderzoeken. Het was dan ook niet verwonderlijk
dat na een verzoek van de ROB de Gemeente Cuijk en de Provincie
Noord-Brabant met geld over de brug kwamen om het archeologisch
onderzoek uit te kunnen voeren.
De ROB vroeg de archeologen van de
Gemeente Nijmegen om het onderzoek uit te voeren. Tijdens de opgraving
werden zij geassisteerd door amateur-archeologen uit Cuijk en Beers. Op
een diepte van ruim anderhalve meter werden onder een dik pakket van
Romeinse en latere ophogingen een groot aantal verkleuringen gevonden.
Uit de wirwar van deze grondsporen kon een aantal funderingsgreppels
geïsoleerd worden van drie houten gebouwen. Alle drie lijken
gelijktijdig minstens twee keer verbouwd te zijn. De verschillende
bouwfasen zijn nog niet helemaal uitgewerkt en gedateerd. Het lijkt er
echter op dat de oudste fase kort voor het midden van de eerste eeuw na
Christus gedateerd moet worden. Dit zou kunnen worden geconcludeerd uit
de scherven in de vulling van de greppels.
Het gaat om houten huizen van ongeveer
35 meter lang en 9 meter breed. De voorkant van deze huizen ligt aan de
Romeinse weg, die onder de huidige Grotestraat gezocht moet worden. De
precieze functie is nog onbekend. Wel is duidelijk dat ze deel
uitmaakten van de vicus, de burgerlijke nederzetting rond de militaire
versterking die in dezelfde tijd in Cuijk is gebouwd.
In de tweede en derde bouwfase werden de huizen ingekort tot zo'n 20
meter.
Binnen de huizen waren werkplaatsen
ingericht waar ijzer en brons werden bewerkt. Dit blijkt uit de slakken
die zijn gevonden. Hiermee lijken de gevonden huizen annex werkplaatsen
op gebouwen die elders in vergelijkbare nederzettingen bij militaire
versterkingen zijn gevonden. De bewoners verdienden de kost met hun
werkzaamheden voor de soldaten en voor de bevolking van de regio rond
Cuijk. De huizen zelf waren eenvoudig van aard met lemen wanden en een
rieten dak. Op de achtererven zijn enkele waterputten gevonden die zeker
meer dan vijf meter diep zijn ingegraven.
Gezien de verbrande resten van de lemen
wanden lijken de huizen van periode twee door brand verwoest te zijn.
Wanneer die brand heeft plaatsgevonden, is nog niet helemaal duidelijk,
maar zeker nog in de eerste eeuw. In een kuil die waarschijnlijk uit
periode drie stamt, is een grote hoeveelheid ijzer gevonden. Het lijkt
een voorraadje oud ijzer van een smid te zijn, maar wat de bijna twintig
munten in deze kuil doen, is een raadsel. Tot hoe ver in de tweede eeuw
deze huizen hier hebben gestaan, is nog onduidelijk. Dichter bij de kerk
in het centrum van Cuijk zijn bij ouder onderzoek resten van een
Gallo-Romeinse tempel gevonden.
Rond het jaar 170 lijkt het in onze
streken tamelijk onrustig te zijn geweest. Dit blijkt onder andere uit
brandlagen in steden als Tongeren en Nijmegen. Wat er zich in die tijd
in Cuijk heeft afgespeeld, weten we nog niet. Tijdens het onderzoek aan
de Grotestraat zijn op ongeveer 80 centimeter onder het maaiveld de
dieper gelegen funderingsresten van een groot gebouw gevonden. Op drie
plaatsen moeten de houten wandpalen op grote molenstenen hebben gestaan,
die als poeren of stiepen hebben gediend. Andere palen waren op in
kuilen gegooide stukken dakpan gefundeerd.
De functie van dit grote gebouw met een
stenen fundering en een pannen dak was niet duidelijk tot op een iets
dieper gelegen plek een halfrond vloertje met een tufstenen muurtje er
omheen werd gevonden. De binnenkant was afgesmeerd met een pleisterlaag.
Waarschijnlijk gaat het om een kleine apsis van een Romeins badhuis, die
bewaard is gebleven doordat de vloer door haar eigen gewicht in de loop
van de tijd in een oudere waterput is weggezakt. Deze waterput lijkt in
het begin van de derde eeuw gedateerd te moeten worden. In de buurt
bevond zich nog een klein stukje van een goot van tufsteen, een
waterleiding?
Ook iets verder weg is een deel van een
dergelijke goot gevonden. Deze had een bodem van liggende dakpannen,
terwijl de wanden voornamelijk van ijzeroer waren. Op twee plaatsen zijn
‘zinkputten' van urinoirs gevonden. Op een aantal andere plekken zijn
haardplaatsen gevonden. Werd hier het water voor het badhuis verwarmd?
De plattegrond van dit eens imposante
bouwwerk is slechts voor een klein deel bewaard gebleven doordat de
bouwstenen in de late middeleeuwen opnieuw zijn gebruikt. Bovendien
zullen de ploeg van de boer en bouwactiviteiten in meer recente tijd ook
hebben bijgedragen aan het verdwijnen van de resten van dit badhuis.
Uit onderzoek is duidelijk geworden dat
in dit deel van het centrum een waardevolle erfenis uit het verleden van
Cuijk verborgen ligt. De Romeinse sporen lijken zelfs veel beter bewaard
te zijn gebleven dan iedereen tot voor kort dacht. Waarschijnlijk zijn
door alle ophogingen de resten van het Romeinse Ceuclum zo goed bewaard
gebleven dat we een voor Nederland unieke situatie hebben. Op andere
plaatsen zijn vergelijkbare nederzettingen door latere bouwactiviteiten
of riviererosie namelijk voor een groot deel vernietigd.
Met de sporen van het oudste Cuijk
moeten we zuinig omspringen en als er in de (nabije) toekomst in dit
gebied een schop de grond in gaat moet dit in goed overleg gaan. In
ieder geval zal iedere keer weer archeologisch onderzoek nodig zijn op
die plaatsen waar het archeologische erfgoed niet gehandhaafd kan
blijven.
Op het gehele terrein worden
archeologische vondsten uit een ver verleden aangetroffen. De oudste
vondst duidt op de aanwezigheid van jager-verzamelaarsgroepen in het
laatste deel van de vroege steentijd. Een zogenoemde Tjongerspits, een
bekend type vuurstenen pijlpunt, is hier ergens tussen 11800 en 9300
jaar geleden door een jager afgeschoten. Andere vuurstenen werktuigen
uit de steentijd worden op De Nielt geregeld gevonden maar zijn minder
oud dan de hierboven genoemde spits. Steeds bleek de hoge zandrug met
aangrenzende natte laagtes en open water een aantrekkelijke plaats voor
de jager-verzamelaars, maar waarschijnlijk ook voor de vroege
landbouwers van de nieuwe steentijd.
Voordat in de jaren 2000 en 2001 het
eerste grootschalig verkennend archeologisch onderzoek in de Heeswijkse
Kampen plaatsvond, was de archeologische potentie van De Nielt nog
vrijwel onbekend. Sporen uit het verleden konden hier alleen maar worden
vermoed. Er waren voorheen immers maar weinig vondsten op het terrein
gedaan. Dit in tegenstelling tot de al bebouwde delen van de Heeswijkse
Kampen, waar onder meer grafvelden en nederzettingen uit de prehistorie
en de Romeinse tijd waren aangetroffen.
Tijdens vooronderzoek werd duidelijk dat De Nielt, van oorsprong een
hoge zandkop, tot dan toe verschillende opmerkelijke verrassingen voor
ons verborgen had gehouden. Zo werden er in de proefsleuven vuurstenen
werktuigen gevonden uit de tweede helft van de Late Steentijd, die
dateren vanaf ongeveer 3800 tot 2000 v. Chr. Verder kwamen sporen van
woonplaatsen uit de daarop volgende Bronstijd (2000 tot 800 v. Chr.),
relicten van houten boerderijen uit de IJzertijd (800 tot 12 v. Chr.) en
de resten van één of meerdere nederzettingen uit de Romeinse tijd (12 v.
Chr. tot 450 n. Chr.) aan het licht. De grote tijdsdiepte die op het
terrein vertegenwoordigd was en de ogenschijnlijk goede conservering van
de archeologische resten maakten De Nielt tot een bijzonder en waardevol
onderzoeksobject.
Ondanks het grote aantal vondsten en
sporen uit de Bronstijd (2000-800 v Chr.) en de IJzertijd (800-12 v Chr.)
blijkt de Romeinse tijd (12 v Chr-450 na Chr.) op De Nielt het meest
duidelijk vertegenwoordigd. Werd er in het vorige bericht nog gesproken
over 9 gebouwplattegronden uit die periode; inmiddels zijn de resten van
ca. 24 gebouwen onderzocht. Zij behoren tot een inheemse, waarschijnlijk
Bataafse nederzetting. In de meeste gevallen gaat het om
boerderijplattegronden, vaak van een type dat zich kenmerkt door de
aanwezigheid van in de zandige ondergrond ingegraven wandgreppels. In
deze greppels werden de onderkanten van wanden van de huizen geplaatst.
In de lengte-as van de boerderij bevond zich een centrale rij
dakdragende zware palen. De grootste tot nu toe ontdekte boerderij meet
ruim 20 x 7 meter. Een huis met aanbouw, dat nu pas gedeeltelijk is
blootgelegd, lijkt dat formaat ruimschoots te gaan overtreffen. Een
markant type gebouwplattegrond betreft een horreum. Het gaat hier om een
grote, op een platform verhoogde graanopslagplaats van ca. 10 x 10
meter.
Hoewel de werkelijke ontwikkeling van
de nederzetting uit de Romeinse tijd nog moet worden ontrafeld, lijkt
het er op dat de vroegste bewoning zich op het westelijke deel van de
hoge zandrug bevond. In een gevorderde fase van de Late IJzertijd of het
begin van de Romeinse periode was hier in elk geval één boerderij
aanwezig. Tijdens de opgraving daarvan zijn in de greppels en in de
paalsporen verschillende fragmenten van al dan niet versierde glazen
armbanden en kenmerkend handgevormd aardewerk gevonden. In de eerste
eeuw na Chr. hebben er op dat westelijke terreindeel nog verschillende
boerderijen met hun bijgebouwen gestaan. Hoeveel er daarvan werkelijk
gelijktijdig zijn geweest valt nog niet te bepalen. De bewoning uit de
tweede eeuw lijkt iets verder naar het oosten op dezelfde zandrug te
hebben plaatsgevonden. Hier zijn verschillende wandgreppelboerderijen
met bijgebouwen blootgelegd. In tegenstelling tot het in de eerste eeuw
bewoonde areaal, waar met de hand gevormde potten de norm lijken, vinden
we in dit gedeelte vooral op de draaischijf gemaakt aardewerk. Ook
vinden we hier fragmenten van Romeinse dakpannen. Of die hier werkelijk
als dakbedekking op de huizen hebben gelegen, of dat zij ergens anders
voor gediend hebben, bijvoorbeeld als plaveisel voor stookplaatsen, moet
nog worden onderzocht. Vondsten van ijzer en brons komen in de
nederzetting ook voor. Zo zijn er enkele Romeinse munten en een aantal
fibulae of mantelspelden naar boven gebracht. Dergelijke mantelspelden
waren al in de IJzertijd een belangrijk onderdeel van de klederdracht.
De hier gevonden exemplaren zijn echter typisch voor de eerste eeuwen
van onze jaartelling. Een opmerkelijke vondst betreft een ijzeren
rooster of ‘komfoor’ die in een kuil is gevonden.
Nederzettingssporen die duidelijk in de
derde eeuw te dateren zijn, ontbreken vooralsnog. Dat er daarna in de
Romeinse Tijd nog wel degelijk gewoond werd op De Nielt, is duidelijk
door de zogenoemde hutkommen, een vermoedelijke huisplattegrond en het
karakteristieke aardewerk dat daarin is gevonden. Hutkommen zijn half in
de grond ingegraven gebouwtjes voorzien van een dak, waarin
ambachtelijke werkzaamheden konden worden uitgevoerd of waarin
vergankelijke producten koel gehouden konden worden. Dit gebouwtype komt
ten zuiden van de Maas eigenlijk pas vanaf de late derde eeuw voor en
wordt vooral toegeschreven aan Germaanse kolonisten die van buiten het
Romeinse rijk afkomstig waren. Bij de Havenlaan is enkele jaren geleden
al een dergelijke derde eeuwse hutkom met ‘Germaans’aardewerk
opgegraven. Het aardewerk dat is gevonden in de hutkommen op De Nielt,
vooral scherven van zogenaamde voetbekers, duiden op een datering in de
vierde eeuw, de tijd dat het castellum van Cuijk zijn bloeiperiode
kende.
Uit de periode na de Romeinse tijd, de
Vroege Middeleeuwen, zijn tot op heden geen enkele sporen aangetroffen.
De Nielt lijkt vooralsnog na de vierde eeuw te zijn verlaten als
nederzettingsterrein. Pas in een gevorderd stadium van de Middeleeuwen,
misschien in de 11e of 12e eeuw lijkt er voor het eerst weer een
boerderij te zijn gebouwd. Het gaat om resten van een houten huis van
het zogenaamde ‘bootvormige’ type. Daarnaast stonden enkele kleine
bijgebouwen. De middeleeuwse woonplaats op De Nielt was zeker geen lang
leven beschoren. Deze lijkt al snel te zijn verplaatst naar een andere
locatie. Er is hier tijdens de Middeleeuwen geen huis meer herbouwd.
Dat er na de Middeleeuwen weer is
gewoond, is niet alleen duidelijk door de aanwezigheid van nog tot voor
kort functionerende boerderijen op ‘De Nielt’. Zij komen ook al voor op
oude kaarten. De opgravingen op de westpunt van De Nielt, enkele
honderden meters verwijderd van deze boerderijen, hebben enkele sporen
opgeleverd die mogelijk uit de 16e of de 17e eeuw stammen. Een waterput,
gemaakt van taps toelopende bakstenen, heeft ongetwijfeld gehoord tot
een boerderij die hier in die periode heeft gestaan. Muurresten van dat
huis zelf zijn niet teruggevonden. Wel zijn er enkele veldbrandovens
voor de productie van bakstenen opgegraven. Eén daarvan zou zeer wel
mogelijk met de bouw van dat missende huis te maken gehad kunnen hebben.
Nu,
ongeveer vijf jaar na het eerste vooronderzoek, is het grootschalige
vervolgonderzoek al weer twee maanden bezig. Er is nu al meer dan een
hectare blootgelegd. De verwachtingen die voortkwamen uit het
proefsleuvenonderzoek zijn bevestigd, zo niet overtroffen. Sporen uit de
Bronstijd, vooral in de vorm van kuilen, paalsporen en
gebruiksvoorwerpen, tonen aan dat er destijds verspreid op de zandkop
boerenerven aanwezig waren. Nederzettingssporen uit verschillende fasen
van de IJzertijd blijken op vrijwel het gehele hoge gedeelte van De
Nielt voor te komen. De Romeinse tijd lijkt met de resten van ten minste
negen houten boerderijen tot nu toe het best vertegenwoordigd. Het
betreft een nederzetting van de inheemse bevolking. De bevindingen zijn
onder meer van belang om de relatie tussen een regionaal centrum zoals
Cuijk dat in de Romeinse tijd was (Ceuclum) en het directe achterland te
bestuderen. Hoe reageerde de inheemse bevolking in de eerste eeuw na
Chr. op de inrichting van een (vermoed) militair fort en de ontwikkeling
van een klein stedelijk centrum (vicus)? In hoeverre is de bloeiperiode
van Ceuclum in de tweede eeuw na Chr. en de militaire aanwezigheid in
het vierde-eeuwse castellum weerspiegeld in de archeologie van de
inheemse nederzettingen?
Gebruikersvoorwaarden Copyright
De content is beschermd door het auteurs- en databankenrecht.
Verveelvoudiging en/of openbaarmaking, anders dan voor eigen
niet-commercieel gebruik overeenkomstig onze
gebruiksvoorwaarden, zijn zonder de voorafgaande schriftelijke
toestemming van de aanbieder van de content niet toegestaan. Gebruiksvoorwaarden
De player is alleen bedoeld voor eigen raadpleging via normaal
browser-bezoek. Het is niet toegestaan om de content op
geautomatiseerde wijze te (laten) raadplegen, bijvoorbeeld via
scripts, spiders en/of bots. Eventuele hyperlinks dienen
bezoekers rechtstreeks te leiden naar de context, waarbinnen de
Langs de Maas.nl de content aanbiedt, dwz. de player.
Overneming, inframing, herpublicatie, of iedere bewerking van of
toevoeging aan deze context zijn dus niet toegestaan. Eveneens
is het niet toegestaan technische beveiligingen te omzeilen of
te verwijderen, of dit voor anderen mogelijk te maken. Disclaimer
Hoewel de informatie op deze website met zorg wordt
samengesteld, is het mogelijk dat deze informatie onvolledig is
en/of onjuistheden bevat.
Wij aanvaarden geen enkele aansprakelijkheid voor directe of
indirecte schade, van welke aard dan ook, voortvloeiende uit het
gebruik van deze player en/of de aangeboden content.
privacyverklaring Cookies
Tijdens het gebruik van deze player wordt (met behulp van
Nedstat) door de aanbieder van de content een zogenaamd ‘cookie’
(klein bestandje) op de harde schijf van uw pc aangemaakt. Dit
wordt gedaan om uw instellingen te behouden zodat het gebruik
van onze site wordt vergemakkelijkt. Daarnaast geeft het inzicht
in het gebruik van de player. Deze gegevens worden niet gebruikt
om bezoekers persoonlijk te identificeren. U kunt zelf bepalen
of u cookies wilt accepteren. Het weigeren van cookies kan
echter tot gevolg hebben dat sommige onderdelen van onze site
niet (goed) werken.
Beveiliging van persoonlijke gegevens
Indien van toepassing zullen persoonlijke gegevens worden
opgeslagen op beveiligde webservers die zich in een beveiligde
computerruimte bevinden. Bij het bezoeken van de website worden
geen persoonlijke gegevens opgeslagen, dit gebeurd alleen als u
gebruikt maakt van het gastenboek. Wijzigingen in de privacyverklaring
Wij behouden ons het recht voor deze privacyverklaring aan te
passen. Het is verstandig om de privacyverklaring regelmatig te
lezen om op de hoogte te blijven van de wijze waarop de uw
persoonlijke gegevens worden verwerkt. Als de privacyverklaring
ingrijpend wordt gewijzigd, wordt dit duidelijk gemeld.