Geschiedenis van Cuijk

 


 

Deel 1:

Vóór Christus
De Romeinse tijd
De Heren van Cuijk
De Tachtigjarige oorlog
De 18e en 19e eeuw
Cuijk aan het spoor
Handel, middenstand en industrie tot 1930
Na de Tweede Wereldoorlog
Bronnen


Deel 2:
Geschiedenis van het archeologisch onderzoek in Cuijk
Archeologisch onderzoek in Cuijk
De Laatmiddeleeuwse Kelder
Het Onderzoek
Het verre verleden van De Nielt
Bataafse boerderijen
Germanen op Cuijkse gronden
De middeleeuwen in beeld
De Nielt in latere tijden

Lijst met namen van de Heren en Pandheren van Cuijk

Slotwoord

Aanvulling 2010

Protestantse kerk in Cuijk
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vóór Christus
Cuijk is oud, héél oud, de naam Cuijk is zelfs afgeleid van het Indo-Germaanse of Keltische woord ‘Keukja’ wat ‘kromming’ of ‘bocht’ betekent. Iedereen die Cuijk en zijn ligging kent begrijpt dat dit slaat op de kromming of bocht in de Maas ter hoogte van het huidige dorp Cuijk. ‘Keukja’ werd in het Romaans verbasterd tot ‘Ceuclum’ , Kuyk, Kuik en Cuyk aan de Maas eindigende uiteindelijk in de naam Cuijk. De verkeerde spelling, Cuyk, kom je nog vaak tegen ook in bronnen die het eigenlijk beter zouden moeten weten. Piet Schoonhoven heeft een groot aandeel gehad in de juiste spelling door te zetten.


Honderden jaren voor Christus woonden er al mensen in deze streek. Dat blijkt duidelijk uit de vele prehistorische bodemvondsten. Waarom precies hier? Omdat de Kelten ook niet dom waren, hier vonden ze hogere plaatsen langs de woeste Maas. En deze hogere plaatsen boden hun woonplaatsen bescherming tegen de (vele) overstromingen van de Maas. Zodoende ontstond hier een nederzetting.


Deze
Kelten woonden in houten schuren of hutten. Om in hun levensonderhoud te voorzien, bebouwden ze het land en hielden vee. Zij kregen kinderen, leefden hun kommervolle leven en stierven. De nabestaanden cremeerden hun overledenen en deden de as in urnen. Vervolgens werden deze urnen in grafvelden geplaatst. Deze velden werden bedekt met aarde en zo ontstonden er grafheuvels. Vaak hadden deze heuvels een opening op het oosten, waarschijnlijk met religieuze redenen waar wij nu weinig meer van weten. Dergelijke grafheuvels, gedateerd tot ongeveer 700 jaar voor Christus, zijn aangetroffen op het Kampse Veld in Haps. Ook in Cuijk zelf zijn zowel in 1825 (De Kalkhof) als in 1844 (De Hanshof) dergelijke heuvels gevonden.


Recentere vondsten, bijvoorbeeld van vuurstenen werktuigen rondom de Kraaijenbergse en Heeswijkse Plassen, Heeswijkse Kampen en heel recent 2006/2007 in de Nielt, bevestigen de bewoning van dit gebied in die tijd en vermoedelijk zelfs eerder. Cuijk en omgeving werd dus ruim voor onze jaartelling al bewoond door Kelten. Hun nederzetting was nog aanwezig toen de Romeinen zich hier vlak na het begin van onze jaartelling vestigden.





De Romeinse tijd
Toen Julius Caesar kort voor onze jaartelling Gallië veroverde en de Romeinse invloed doordrong tot het gebied rond Cuijk, veranderde hier veel. Een rij plaatsen waarin Romeinse legioenen waren gelegerd zorgde voor de verdediging van de grenzen van het Romeinse rijk. Voorbeelden van zo’n “rij” zijn Nijmegen, Xanten, Keulen en Bonn. Deze legerplaatsen waren met elkaar verbonden door wegen. Eén van deze wegen liep van Nijmegen naar Tongeren, via Cuijk. In de vorige eeuw zijn talloze sporen van deze weg gevonden.

 

 

 

 

Op een middeleeuwse ‘natekening’ van een Romeinse wegenkaart, de zogenaamde ‘Peutinger kaart’, (opmerking redactie: over deze Peutinger kaart bestaan nogal verschillen van mening, wij verwijzen dan ook naar twee verdere links die dit duidelijk zullen maken. Link 1 en link 2) zijn de wegen aangegeven met hun afstandsmaten en worden de voornaamste Romeinse nederzettingen aangeduid door een bouwwerk. Naast Nijmegen staat hierop ook Ceuclum, het tegenwoordige Cuijk, vermeld.

Ook deze aanname over de spelling van Cuijk zijn weer vele variaties, in een website over tabak en pijpen is de naam Cuijk zelfs in drie vormen te vinden in een publicatie link.


Cuijk was in de Romeinse tijd dus een belangrijke nederzetting langs de Maas. Tijdens opgravingen werd in 1846 een compleet Romeins graf met voorwerpen van het warmrode Terra-Sigillata-aardewerk en enkele sieraden gevonden. Ook in 1912, toen de oude dorpskerk plaats moest maken voor de huidige neogotische Sint Martinuskerk, werden veel muurresten en voorwerpen uit de Romeinse tijd ontdekt. En in de jaren zestig, tijdens de aanleg van de Maasboulevard kwamen veel Romeinse vondsten te voorschijn. Ook op andere plaatsen in Cuijk zijn Romeinse resten gevonden. Zo vonden archeologen bij de Hervormde Kerk een nederzetting van ambachtslieden, kooplui en andere personen, die in hun bestaan betrokken waren bij de dienstverlening aan of bevoorrading van het Romeinse Castellum. Door middel van deze en andere opgravingen, waarbij muurrestanten en dergelijke bloot kwamen heeft men kunnen vaststellen waar de Romeinse vesting (“Castellum”) was gevestigd. Dit was ruwweg het gebied tussen de (huidige) Maasstraat, Grotestraat, Deken v.d.Ackerhof en de Maas. Sporen zijn echter ook gevonden richting Markt en Nutricia en richting Schoolstraat. Dit Romeinse Castellum had onder zijn verantwoordelijkheid de bescherming van de hier gelegen oversteekplaats in de Maas. Aangezien deze oversteekplaats een onderdeel was van de belangrijke Romeinse weg, die liep van Tongeren via Cuijk en Blerick naar Nijmegen. Dit Noviomagum (Nijmegen) was een belangrijk bolwerk dat mede de noordelijke grens beschermde van het Romeinse rijk.

De Peutinger-kaart was getekend op een smalle boekrol van wel 7 meter lang. Hij laat het hele Romeinse Rijk zien, vanaf het huidige Groot-Brittannië tot aan de Indus. De tekenaar was er vanuit gegaan dat Rome het middelpunt was, en had Rome dus ook in het midden getekend. Vanuit Rome vertrokken er twaalf wegen het rijk in. De kaart was niet bedoeld als een nauwkeurige natuurgetrouwe kaart, maar als een schematische kaart voor mensen die op reis waren. De tekenaar redeneerde alleen links - rechts, maar dat was voldoende voor een reiziger. Ook vermeldde hij de afstand bij de wegen, want de lengte van de lijnen op de tekening hebben geen betekenis.

Naar wij mogen aannemen zijn de Romeinen omstreeks het jaar 400 uit Nederland dus ook uit Cuijk verdwenen. Met onderbrekingen zijn ze hier een kleine 4 eeuwen aanwezig geweest, ter bescherming van de “oversteekplaats” in de Maas. Zoals wij sinds enkele jaren definitief weten hadden zij in hun laatste periode de beschikking over een brug, waarvan restanten zijn teruggevonden waardoor de juiste plaats kon worden bepaald. Met het vertrek van de Romeinen verdween ook een stuk beschaving en van het tijdvak 400 tot 1000 weten we eigenlijk vrij weinig. Wel is er bewoning gebleven, want het was tenslotte een hogere plaats langs de rivier. Na het vertrek van de Romeinen werd de streek onder andere bewoond door de Franken.
De kerstening van Cuijk moet omstreeks 800 hebben plaatsgevonden, omdat de kerk is toegewijd aan St.Maarten, een heilige, die in die tijd werd vereerd. Cuijk moet op kerkelijk gebied nogal wat invloed hebben gehad, want er was een dekenaat Cuijk met een groot gebied van Blerick tot en met het latere Den Bosch. Staatkundig lag dit gebied in Lotharingen, waarvan het gezag bij de Duitse koningen en keizers lag. In die tijd werden delen van een gebied vaker in leen uitgegeven; dit gebeurde ook met ons gebied, het werd een zelfstandig rijksleen. Het kwam in de 10e eeuw in leen bij de heren van Malsen (het tegenwoordige Geldermalsen).

 

In 2007 zal de Romeinse brug, die over de Maas geslagen was, tenminste de palen verder in kaart gebracht worden. Cuijk zal na de herstructurering van de maaskade weer meer aan het water komen te liggen.

Link naar de site fotoarchiefdienst geschiedenis Cuijk

 



De Heren van Cuijk
De Heren van Cuijk komen van oorsprong uit de Betuwe. Vanaf de 11e eeuw zijn zij ‘historisch aantoonbaar’. De naam Cuijk (Henricus de Kuc of Kuyc) wordt voor het eerst in 1096 in een oorkonde vermeld. De leenmannen noemden zich naar de hoofdplaats Cuijk in hun leengebied "van Cuijk". Het geslacht van Cuijk is afkomstig uit de gouw Teisterbant. Vooral rondom Geldermalsen en Meteren had de familie veel goederen. De gouw Teisterbant is helaas niet precies aan te wijzen. Ze wordt al in 850 genoemd met als graaf “Balderik”. Vanaf circa 1050 geven de schriftelijke bronnen meer duidelijkheid over de plaats Cuijk en de heersende familie.

Vanaf die tijd wordt de naam Cuijk namelijk toegevoegd aan de persoonsnamen, genoemd naar het stamgoed. Voor die tijd noemde men zich van Malsen. De familie had veel bezittingen en nauwe banden met de Graven van Holland, Gelre en Vlaanderen, de Hertog van Brabant, de Koning van Engeland en de bisschoppen van Keulen en Utrecht. In de 13e eeuw werd de gouw Teisterbant verdeeld tussen Cuijk, Gelder en het Stichtse bisdom.


De oorspronkelijke heren van Cuijk zijn aan het bewind geweest van 1096 tot 1400 en vooral Jan I van Cuijk nam een voorname plaats in. Een beeld van hem stond bij het viaduct in de Maasstraat, in 2008 ter gelegenheid van 700 jaar Jan van Cuijk is er een bronzen afgietsel gemaakt. Het stenen origineel gaat naar binnen en de bronzen kopie komt voor het gemeentehuis te staan.  Wel was het zo dat hun kasteel vanaf 1137 niet meer in Cuijk zelf stond maar in Grave. In die plaats kwam toen ook het bestuurscentrum, maar een aantal zaken bleef in de plaats Cuijk zelf. De Hoofdbank (het huis voor onder andere rechtspraak) bleef in Cuijk en ook de Landdag (een soort dorpenvertegenwoordiging) kwam jaarlijks in de Cuijkse kerk bijeen. Bij de Hoofdbank konden niet alleen de dorpsbanken van Escharen tot Maashees in beroep gaan, maar ook die van het vrijwel onafhankelijke Boxmeer.
Het leven van Jan I van Cuijk.


Heel belangrijk voor het Land van Cuijk was Heer Jan I van Cuijk (1230 - 1308). Jan werd geboren omstreeks 1230 en volgde in 1254 zijn vader Hendrik III op als Heer van Cuijk. Omstreeks 1260 trouwde hij met Jutta van Nassau. Zij was een dochter van Hendrik van Nassau, een rechtstreekse voorvader van Prins Willem van Oranje. Er zijn negen kinderen uit dit huwelijk bekend.
Heer Jan I van Cuijk ‘regeerde’ van 1254 tot 1308 en verbleef meestal op zijn kasteel in Grave. Hij was een bijzondere ridder en regeerder uit een beroemd geslacht. Met in zijn wapen de nog steeds gebruikte acht ‘merletten’ vocht hij aan de kant van Hertog Jan van Brabant tegen de Geldersen, de Limburgers en de Keulsen. Jan I van Cuijk nam deel aan veel veldtochten in de omgeving, waaronder de slag bij Woeringen nabij Keulen in 1288. Deze slag bracht een historisch keerpunt in de geschiedenis van de Nederlanden en het Nederrijn gebied. Hij wordt uitvoerig vermeld in de ‘Yeeste van den slag bij Woeronc’ van Jan van Heelu, een enorm heldendicht op hertog Jan I van Brabant, de grote overwinnaar in de slag tegen onder anderen de aartsbisschop Siegfried van Keulen, Graaf Reinoud van Gelre en Graf Hendrik van Luxemburg. De inzet was de erfelijke rechten op Limburg en de uitslag: Jan van Brabant met aanhang won.


Een minder fraaie rol speelde Jan in 1296 echter in de samenzwering van de edelen tegen graaf Floris V van Holland. Deze zou op verzoek van de Engelse koning gevangen genomen worden tijdens een jachtfeest en daarna naar Engeland gebracht. Het liep echter uit op moord.
In 1308, kort voor zijn dood heeft hij echter een daad gesteld die van groot belang is geweest voor de bevolking. Hij besloot om de zogenaamde ‘gemeynten’, de gemeentegronden in het Neder- en Overampt, aan de parochiedorpen en onderhorigen daaraan, over te dragen. Deze gronden, die over het geheel nog woest waren (totaal ca. 7.000 hectare), stelde hij daardoor gratis ter beschikking van de inwoners van de dorpen om er de paarden, vee en schapen op te weiden en er heideplaggen van te halen voor de potstallen. De kleine boeren vooral waren daar erg mee gebaat. Jan I van Cuijk was ook de stichter van het Graafse Sint Catharinagasthuis.


Heer Jan I stierf op 13 juli 1308 en werd met de grootste eer, ‘met voordragen van wapen en schild’ begraven in de St. Elisabethkerk te Grave. Er is geen graf aan te wijzen van Jan van Cuijk.
De positie van Cuijk onder de “Heren van Cuijk”
De heerlijkheid van Cuijk, heeft gedurende een lange tijd een belangrijke positie ingenomen, zowel regionaal als internationaal. In diplomatieke kringen speelden de Heren van Cuijk (en indirect ook de dames natuurlijk) een belangrijke rol in de 12e tot en met de 14e eeuw. Verder waren vanaf circa 1215 in Cuijk jaarmarkten, een bevestiging van de centrumpositie. Omstreeks 1485 was er een grote brand, waarbij ook de toenmalige kerk verloren ging. Uit die tijd stamt de bouw van een andere kerk met toren. De kerk is in de vorige eeuw vervangen door de huidige kerk, de toren - als gemeentelijk eigendom - is bewaard gebleven. In deze toren is nu het museum Ceuclum gevestigd.

Een paar voorbeelden ter illustratie:
Het Land van Cuijk was de bufferstaat tussen Brabant en Gelre; In de 12e eeuw waren er onder meer twee bisschoppen uit de familie Van Cuijk aan de macht in Utrecht en Luik; Jan I was onder meer diplomaat in dienst van de koning van Engeland en vertrouweling van Hertog Jan van Brabant. Waar woonden de van Cuijk’s? Het oudste kasteel van de familie in dit gebied heeft waarschijnlijk in Cuijk op dezelfde plaats gestaan als de tegenwoordige St. Martinuskerk. Bij opgravingen in 1964-1966 onder leiding van professor dr. J.E. Bogaers is een rondlopende gracht teruggevonden. De jongste aardewerkfragmenten daaruit zijn te dateren in de 12e eeuw. Dit gegeven sluit aan bij berichten over de verwoesting van heel Cuijk in 1133 door de Graaf Dirk VI van Holland als wraak voor de moord op zijn broer Floris de Zwarte.
Herman van Cuijk kreeg daarna van keizer Lotharius toestemming om een nieuw kasteel te bouwen. Hiervoor werd een plaats uitgekozen op een strategische positie bij de Maas en aan de grote weg van Nijmegen naar Brabant, het tegenwoordige Grave. Dit kasteel is blijven bestaan tot 1674. Van de beschikbare gegevens is in 1980 een maquette samengesteld door leden van de Graafse Stichting Graeft Voort.
Het wapenschild
Het familiewapen is bekend van zegels aan oorkonden en akten en uit beschrijvingen van de wapenschilden. Het oudste zegel is van omstreeks 1200 van Hendrik van Cuijk en bevat alleen de twee horizontale balken. Het wapenschild dat ook nu nog het Cuijkse gemeentewapen is, wordt als volgt omschreven: het schild is van goud met twee balken en acht merletten alle in rood. Het zegel met de acht merletten werd voor het eerst toegepast door Albert van Cuijk, die leefde tot 1233.

 



De Tachtigjarige oorlog
Ook de Tachtigjarige oorlog ging niet geruisloos aan Cuijk voorbij. Spaanse belegeringen van zowel kasteel Middelaar als Bleijenbeek onder Afferden brachten voor de bevolking veel ellende. Na de verovering van Grave door prins Maurits in september 1602, werd het Land van Cuijk een zwevend niemandsland tussen Staats en Spaans gebied. Een bende Kroaten, die deelnamen aan de belegering van de Schenken- schans in Nijmegen heeft in 1635 nog brand gesticht.
Bij de vrede van Munster in 1648 werd de Cuijkse parochiekerk toegewezen aan de protestanten. Veel altaren en beelden werden ten gevolge van de beeldenstorm uit de dorpskerk verwijderd. Cuijk vormde in die tijd een klein bestuurscentrum en er woonden nogal wat protestantse ambtenaren. Met enkele anderen vormden zij ongeveer tien procent van de bevolking. De Cuijkse katholieken bezochten rond 1650 samen met hun geloofsgenoten uit Haps een kerkenhuis ‘even over de grens’ in Oeffelt, dat toen nog bij Kleef hoorde. Toen de tijden weer soepeler werden, betrokken zij een bescheiden kerkgebouw in de Molenstraat in Cuijk. Dit duurde tot ongeveer 1800. In dat jaar werd de oude kerk, onder protest van de protestanten of gereformeerden, aan de katholieken terug gegeven. Na herbouwd te zijn kwam het eind voor deze kerk in 1912 door middel van de slopershamer.



De 18e en 19e eeuw
In 1712 vernietigde een grote brand nagenoeg heel Cuijk. Besloten werd om bij de herbouw van de verloren gegane bouwwerken, in plaats van de gebruikelijke daken van stro, voortaan pannendaken te gebruiken. In die tijd stond bij de dorpskerk het ‘rechtshuis’, een voorloper van het nu afgebroken raadhuis in de Maasstraat. De meeste inwoners werkten in de landbouw of veeteelt, de kleine nijverheid of de scheepvaart. Cuijk bleef echter bescheiden van omvang. Maar toch, op de stad Grave en de ‘zelfstandige vlek’ Boxmeer na, was het wel het dichtstbevolkte dorp van het Land van Cuijk. Volgens een opgave uit het jaar 1785 had Cuijk in die tijd 201 huizen, 258 gezinnen, 60 schuren, één kerk, één kasteel, 87 paarden, 263 runderen, 73 karren, 49 bakovens en één wind- en rosmolen.


In 1795 ontstond de Bataafse Republiek, later gevolgd door de inlijving bij Frankrijk. Alle zogenaamde “heerlijke” rechten werden afgeschaft, want althans in theorie was er vrijheid, gelijkheid en broederschap. Dit had o.a. tot gevolg, dat de katholieken weer in het bezit kwamen van de Martinuskerk, dit rond 1800. In 1809/1810 werd met subsidie van de overheid een nieuw eigen kerkje voor de Protestanten gebouwd aan het zuideinde van de Grotestraat hoek Markt, die kerk staat er nog steeds.
Hoofdbronnen van bestaan waren nog steeds voornamelijk landbouw en veeteelt. Hierbij moeten wij niet uit het oog verliezen, dat door de overstromingen van de Maas tot aan de laatste grote ramp in 1926 en de werking van de Beerse Overlaat dit gebied vooral in de winter veel overlast ondervond en het vaak geïsoleerd raakte. De ongekanaliseerde Maas zette in de wintermaanden de lage landen bij Cuijk en Katwijk dikwijls helemaal onder water, vaak tot aan Den Bosch toe. Herhaaldelijk bezweken de dijken zoals in 1820, 1861 en 1880. De laatste overstroming, die van 1926, was de ergste. Het drama van de Beerse Maas vormt overigens een verhaal op zichzelf. Deze overlaat heeft de ontwikkeling van het Land van Cuijk, vergeleken met andere streken van het expansieve Brabant, erg gestremd. Pas in 1942, toen de Beerse Maas voorgoed werd gesloten, verbeterde de structuur aanzienlijk.



Cuijk aan het spoor
Door zijn ligging in het noordoosten van de provincie, de nukken van de Maas en de overlast van de Beerse overlaat waren de verbindingen niet optimaal. Cuijk lag er, net zoals de andere plaatsen in dat gebied, wat geïsoleerd bij. Groot was dan ook het enthousiasme toen aan het eind van de jaren zeventig in de 19e eeuw plannen werden ontwikkeld voor het aanleggen van een treinverbinding tussen Nijmegen en Venlo. Hoewel, het kostte veel moeite om de verbinding zoals we die nu nog kennen tot stand te brengen. Oorspronkelijk was het niet de bedoeling om de lijn al bij Cuijk de Maas te laten passeren, maar deze bijvoorbeeld parallel te laten lopen aan de (oude) Rijksweg Nijmegen-Venlo. Aan de Limburgse kant van de Maas dus. Veel acties hebben er echter voor gezorgd dat de spoorweg nu via het huidige traject loopt.
De aanleg van de spoorweg in de omgeving van Cuijk verliep redelijk vlot. Het grootste werk was uiteraard de bouw van de spoorbrug over de Maas. Hiermee werd begonnen in augustus 1879 en aan het eind van februari 1883 was de klus geklaard. De lengte van de brug was ruim 354 meter, de kosten bedroegen 579.901 gulden. Uiteraard reed de eerste personentrein op 1 juni 1883 met feestelijk vertoon over deze voor de streek zo belangrijke verbinding. Bij de aanleg van een spoorlijn horen natuurlijk ook stations. Het station in Cuijk werd gebouwd in 1881 en is in zijn (bijna) oorspronkelijke vorm nog te bewonderen. Dit is mede het resultaat van een actie opgezet door het gemeentebestuur en de bevolking. In 1975 kwam namelijk het bericht dat het stationsgebouw gesloopt zou worden en vervangen door een moderner gebouw. Dit ging de gemeente en haar inwoners echter te ver. Er was al (te)veel gesloopt en men was bang dat er weer een stukje geschiedenis verloren zou gaan.



Handel, middenstand en industrie tot 1930
De ontwikkeling die Cuijk in de periode tot 1930 doormaakte op het gebied van handel, middenstand en industrie is waarschijnlijk het best te beschrijven aan de hand van een aantal karakteristieke voorbeelden. Neem het postkantoor. Waarschijnlijk had Cuijk al in 1850 een hulppostkantoor. Pas in 1883 echter kreeg deze PTT-vestiging de status van ‘echt’ postkantoor. Het ging hier om het gebouw op de hoek van de Grotestraat en de Maasstraat. De gemeenteraad wilde wachten met deze ‘promotie’ totdat de spoorlijn Nijmegen-Venlo klaar was. Zij wilde liever dat het telegraafverkeer via het spoorwegstation zou worden afgewerkt. Echter mede op uitdrukkelijk verzoek van de inwoners, werd in het postkantoor ook het telegraafkantoor gevestigd.


Ook in die tijd was Cuijk van alle markten thuis. In 1850 bijvoorbeeld waren er in Cuijk zes jaarmarkten, met daarnaast een staalmarkt voor de graanhandel waar granen op monster of staal werden verhandeld. Naast vee werd er vooral vlas en linnen verhandeld. Tijdens goede jaarmarkten werden er ongeveer 250 runderen aangevoerd. Later, vanaf 1860, werden bijvoorbeeld 8500 el linnen verhandeld, 24 el lakens, 4800 pond vlas en 1550 pond wol. In 1895 wordt het aantal marktdagen uitgebreid tot 13, later zelfs tot 24, met een aparte paardenmarkt. In 1927 worden bijna 8000 runderen en meer dan 12.000 biggen aangevoerd. We kunnen dus zeggen dat Cuijk in de periode 1850 tot 1930 meer was dan alleen een boerendorp. Er was een bescheiden textielindustrie, zoals een katoen- en een linnenweverij. Ook was er bijvoorbeeld de balans-, bascule- en koffiemolenmakerij van Johannes van Susteren. De firma maakte per jaar ongeveer 5000 koffiemolens, 300 balansen en 75 bascules (een soort weegschaal). Verder kende Cuijk omstreeks 1860 nog een brandkastmakerij met een productie van zo’n 15 brandkasten per jaar, een bescheiden brandspuitmakerij met twee spuiten per jaar en twee brouwerijen met in het jaar 1865 een productie van maar liefst 2630 tonnen bier. Van steeds grotere betekenis werden de leerlooierijen, het aantal looierijen schommelde tussen vier en tien. Bij de leerlooierijen van A. Kaal, L. Manders de gebroeders Meijer en Co., en de gebroeders Manders werkten ieder ongeveer 5 man, terwijl de machinale stoomleerlooierij van de firma M.B. Regouin er uit springt met ongeveer 30 man.

In 1865 werden bijvoorbeeld 1510 koeievellen, 40 paardenvellen en 470 schapenvellen bewerkt. Ook was er een orgelmakerij, maar vooral de werkplaats voor kerkornamenten, leverde producten voor de eredienst (altaren, communiebanken e.d.). Er werden één of twee orgels per jaar afgeleverd. Een ander bedrijf, actief in dezelfde sector, maakte in 1865 drie altaren, twee communiebanken, twee koorbanken, drie biechtstoelen, één lievevrouwetroon èn één beeld ‘voorstellende Heer Jan I van Cuijk’. Dit laatste beeld is nu nog steeds te zien in de Maasstraat bij het viaduct. Veel belangrijker voor Cuijk was echter de sigarenindustrie: zowel sigarenmakerijen als tabakskwekerijen. In 1859 werd 20.000 pond gekerfde tabak verwerkt. Fabrieken zoals Van Dongen & Reniers. Bij Philipsen & Van Hussen werkten van 1900 tot 1930 ongeveer 50 man. Van Aernsbergen was een bekende en natuurlijk de vestiging van de fa. J.Baars en Zoon, beter bekend als “Victor Hugo”, gestart in 1907, hier in werkten in het beginjaar 1907 24 volwassenen en 2 kinderen en in 1930 al 146 mannen, 31 vrouwen en 41 kinderen.

Deze sigarenfabriek was indertijd één van de filialen van de firma J. Baars en Zonen uit Krommenie. De eerste aanzet werd gemaakt in een klein pand in de Molenstraat. Toen dit pand te klein werd, zocht men naar een andere locatie om er een echte fabriek te bouwen. In de Molenstraat lag een terrein braak. De firma Van Dongen en Reniers had hier al een sigarenfabriek gebouwd, maar dit bedrijf was door brand verwoest en niet meer herbouwd. Op dezelfde plaats werd omstreeks 1901 een nieuwe sigarenfabriek gebouwd. De productie van deze fabriek was ongeveer 100.000 sigaren per dag. Een paar jaar later komen hier de sigarenmakerijen van A. van Aernsbergen en van J. Baars en Zoon nog bij. Daarnaast waren er nog een paar smeerkaarsenmakerijen met in 1859 een aflevering van wel 4500 pond kaarsen. Cuijk telde circa acht schoenmakerijen en een paar zadelmakerijen. Ook de meubelmakerijen breidden zich steeds uit.
Cuijk ging nog niet echt mee in de industriële expansie, maar de plaatselijke nijverheid ontwikkelde zich aardig. Het was een agrarisch getint dorp met een bescheiden nijverheid. In 1907 staat er op naam van J. Dekker een zuivelfabriek geregistreerd: Sint Maarten.

Er werkten ongeveer 15 man. Vooral na 1900 ontstonden er nieuwe bedrijven, zoals de melkfabrieken St.Maarten en de Lacto, nu Nutricia. En een bijzonder initiatief, Cuijk liep hiermee in de regio sterk voorop, was de stichting van een elektriciteitscentrale in 1909. Eerst was dit een particulier bedrijf, maar in 1916 nam de gemeente zelf dit bedrijf over. In 1927 werd het overgedragen aan de PNEM. In 1917 verschijnt er in Cuijk een zoutzuurfabriek door toedoen van de firma G.B. Wolf. In 1925 waren de bierbrouwerij en ijsfabriek Cevelum er al.
Een gebouw ten slotte dat velen zich zullen herinneren is ongetwijfeld dat van de Coöperatieve Handelsvereniging van de NCB, dit gebouw stond op de plaats waar eerst de molen van Poos heeft gestaan, later die van Van der Eyken en nu een supermarkt, langs de spoorlijn bij de spoorwegovergang.



Na de Tweede Wereldoorlog
Op 1 januari 1940 telde Cuijk ongeveer 4600 inwoners, die ondertussen de lange crisistijd met zijn grote werkloosheid en werkverschaffing achter de rug hadden. Zij woonden in een bescheiden dorp met een redelijk bedrijfsleven. In 1942 werd de gemeente Linden opgeheven. Het hoofddorp, Groot-Linden, ging over naar Beers, terwijl Katwijk en Klein-Linden bij Cuijk werden gevoegd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag Cuijk in de periode 17 september 1944 tot maart 1945 nagenoeg in de frontlinie. Dit kwam omdat het gebied aan de andere zijde van de Maas, zoals Mook, pas in maart 1945 werd bevrijd. Af en toe vonden er beschietingen plaats, met als gevolg een aantal slachtoffers onder de burgerbevolking en materiële schade. Veel huizen werden verwoest. In Katwijk werd in 1947 een monument opgericht ter nagedachtenis van de op 10 mei 1940 in de Maassector tussen Katwijk en Oeffelt gesneuvelde manschappen. Jaarlijks organiseert het Comité Herdenking en Bezinning met de gemeente Cuijk de nationale herdenking en de herdenking van de gevallenen op 10 mei 1940 in Katwijk.

 
Na 1945 werden onder bezielende leiding van de toenmalige burgemeester Jansen later voortgezet door burgemeester van Zwieten, de zaken energiek aangepakt. Door zijn gunstige ligging aan de Maas en de spoorlijn Nijmegen-Venlo en ook door de stimulerende maatregelen van de regering, kon een industriële ontwikkeling op gang worden gebracht en brak er voor Cuijk een nieuw tijdperk aan. Er moesten gebieden worden aangewezen waar de nieuwe industrieën zich konden vestigen. Er ontstonden twee grote industrieterreinen: ‘De Beijerd en ’t Riet’ en ‘Haven Cuijk’. Op deze industrieterreinen hebben zich in de loop der jaren verschillende industriële bedrijven gevestigd.
Zoals de naam van het laatstgenoemde industrieterrein al doet vermoeden, kwam hier de Cuijkse haven tot stand. Deze haven staat in open verbinding met de Maas. Een keersluis zorgt voor de goede waterstand in de haven. Ook kon er dankzij deze haven met zijn keersluis een doorsteek gemaakt worden van de Maas naar de Kraaijenbergse Plassen, die een grote rol gaan spelen in de toekomstige recreatie in de hele streek. Tegelijk met deze expansieve industrialisatie nam de bevolking van Cuijk in snel tempo toe. Cuijk groeide bijvoorbeeld van 5645 inwoners in 1950 tot ruim 15.300 inwoners eind 1975. Op dit moment heeft Cuijk overigens een kleine 25.000 inwoners.


Aan de snel groeiende bevolking moest goede huisvesting worden geboden. De beschikbare ruimte voor woningen was snel uitgeput en er moest worden uitgekeken naar nieuwe woongebieden. Rond 1960 werd een begin gemaakt met de uitbreiding in noordelijke richting. Zo ontstond Cuijk-Noord, beter bekend als ‘De Valuwe’. In een vrij snel tempo werd deze wijk volgebouwd. De wijk telt ongeveer 1550 woningen. In 1970 werd gestart met de wijk ‘Padbroek’ en in 1980 begon men met de bouw van de wijk ‘Heeswijkse Kampen’.
Uiteraard waren naast woningen ook andere voorzieningen nodig. Er werden scholen gebouwd in de diverse wijken, niet alleen voor het kleuter- en basisonderwijs, maar ook een Lagere Technische School, een school voor Lager Huishoud- en Nijverheidsonderwijs, de Middelbare Landbouwschool (MAS) en niet te vergeten het Merletcollege met atheneum, havo- en mavo-opleiding.

Het oude gemeentehuis aan de Maasstraat moest plaatsmaken voor de Maasboulevard. Een nieuw gemeentehuis - inmiddels een aantal malen uitgebreid - kwam aan het Louis Jansenplein. Er werden winkelcentra aangelegd, zowel in de wijken, als in het centrum. Hiervoor moest wel het oude Liefdesgesticht op die plaats verdwijnen; een nieuw bejaardentehuis kwam er aan het eind van de Grotestraat (Porta Caeli). Dit is al weer vervangen door “Maartenshof”. 

In 2006 werd besloten Maartenshof met de grond gelijk te maken en er een modern zorgcomplex neer te zetten. In 2008 zal met de bouw begonnen worden. Het gebouw Victor Hugo kreeg wat later zijn functie als dienstencentrum. Er kwam een nieuw postkantoor ondertussen alweer opgeheven en vervangen door een postagentschap, een arbeidsbureau, een telefooncentrale aan de Veldweg, straten werden gewijzigd en meer van dit soort zaken. Ook deze opsomming wordt weer achterhaald, er wordt op de plaats van de voormalige brandweer kazerne en postkantoor een dienstencentrum gebouwd. Cuijk kreeg een zwembad en een sporthal, een sportterrein (de ‘Groenendijkse Kampen’) en erg belangrijk natuurlijk, de schouwburg. Het winkelcentrum De Zwaan heeft een ware gedaanteverwisseling ondergaan met o.a. een doorbraak naar de Grotestraat en een nieuwe naam, namelijk winkelcentrum Maasburg.




Geschiedenis van het archeologisch onderzoek in Cuijk


Archeologisch onderzoek
Het archeologische onderzoek in Cuijk kent een lange traditie. Opgravingen in de kern door A.E. van Giffen, J. Willems en J.E. Bogaers in de jaren 1937-38, 1948 en 1964-66 hebben veel sporen uit het verleden opgeleverd.
Op basis van uitgevoerd onderzoek mag worden aangenomen dat de plaatsnaam en de ligging van het huidige Cuijk overeenkomt met de plaatsnaam Ceuclum op de Tabula Peutingeriana, een middeleeuwse kopie van een Romeinse wegenkaart. De oudste sporen uit de eerste helft van de eerste eeuw zijn van een militaire versterking, een castellum, dat vermoedelijk opgetrokken is onder keizer Claudius (41-54). Over de aard en de betekenis van deze vestiging bestaan echter nog de nodige vraagtekens.
Kort na de Bataafse Opstand in 69/70 na Christus werd het castellum in steen herbouwd, waarna het tot het einde van de eerste eeuw in gebruik bleef. Nadat de militairen lijken te zijn vertrokken, ontwikkelde Cuijk zich in de tweede eeuw tot een vicus, een regionaal centrum voor een groter landelijk gebied. Vooral handel, ambacht en dienstverlening kenmerkten het karakter van het tweede-eeuwse Cuijk. Waarschijnlijk is Cuijk ook op religieus gebied van betekenis geweest. Dit zou kunnen worden geconcludeerd uit de gevonden resten van tempels op de Maasoever.
Zoals zoveel nederzettingen in het Benedenrijngebied lijkt Cuijk rond het midden van de derde eeuw te zijn verlaten. Pas kort na het jaar 320 wordt onder keizer Constantijn de Grote (306-337), op min of meer dezelfde plaats als de eerste-eeuwse versterking, een nieuwe fortificatie aangelegd, die omgeven is door een hout-aarde wal. Het fort lijkt in ieder geval een oppervlak van ongeveer tweeënhalve hectare gehad te hebben. Vanuit het fort werd de brug over de Maas bewaakt. Rond het begin van de vijfde eeuw lijkt Cuijk verlaten te zijn, maar de schaarse bewoningssporen uit de vroege middeleeuwen wijzen duidelijk op bewoning.
Buiten het in de Romeinse tijd bewoonde gebied zijn sporen van twee grafvelden gevonden. Het eerste ligt in het oude centrum van Cuijk en strekt zich in zuidelijke richting langs de Grotestraat uit. De onderzochte graven liggen voor het merendeel haaks op de Romeinse weg. Het wegdek van deze Romeinse weg was op een paar plaatsen onder of dicht bij de huidige Grotestraat te zien. Een tweede grafveld bevindt zich noordwestelijk van het centrum van Cuijk, op de Heeswijkse Kampen.



De Laatmiddeleeuwse Kelder
Direct bij het begin van het archeologische onderzoek 1997 werd een stuk muur vrijgelegd. Door de aandacht die verschillende media aan dit muurwerk gaven, kwamen veel mensen uit Cuijk een kijkje nemen bij de opgraving. De muur was opgetrokken uit tufsteen, een vulkanisch gesteente uit de Eifel. Deze steensoort is een typisch Romeins bouwmateriaal en daarom werd in eerste instantie gedacht dat we hier te maken hadden met muurwerk uit de tweede of derde eeuw van onze jaartelling.
Toen enkele weken later aan de voet van de muur laatmiddeleeuws aardewerk werd gevonden, werd duidelijk dat het hier niet om muurwerk uit de Romeinse tijd ging. Verder onderzoek maakte duidelijk dat we te maken hadden met een deel van de oostelijke muur van een kelder. Waarschijnlijk heeft in die tijd een belangrijke inwoner van Cuijk, dicht bij de burcht van de Heren van Cuijk, een huis gebouwd met een stenen kelder.
Voor Cuijk is dit de eerste keer dat er zo’n belangrijke vondst is gedaan. Op andere plaatsen, zoals in Nijmegen, zijn ook resten van zulke natuurstenen kelders uit die tijd gevonden. Ook deze waren van de lokale elite. Uit bestudering van de stenen blijkt dat de keldermuur is opgebouwd uit Romeinse verzaagde blokken. Dit tufsteen is waarschijnlijk afkomstig van het derde-eeuwse badhuis dat hier heeft gestaan of van het laatromeinse fort op de oever van de Maas.


Het Onderzoek
Dat er voor de bouw van de winkelpassage op de voormalige percelen Grotestraat 18-24 archeologisch onderzoek plaats zou moeten vinden, was al lange tijd duidelijk. Archeologen van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) hadden in samenwerking met lokale amateur-archeologen op het aangrenzende terrein van de voormalige Hubo namelijk al eerder een Romeinse kelder kunnen onderzoeken. Het was dan ook niet verwonderlijk dat na een verzoek van de ROB de Gemeente Cuijk en de Provincie Noord-Brabant met geld over de brug kwamen om het archeologisch onderzoek uit te kunnen voeren.
De ROB vroeg de archeologen van de Gemeente Nijmegen om het onderzoek uit te voeren. Tijdens de opgraving werden zij geassisteerd door amateur-archeologen uit Cuijk en Beers.

Op een diepte van ruim anderhalve meter werden onder een dik pakket van Romeinse en latere ophogingen een groot aantal verkleuringen gevonden. Uit de wirwar van deze grondsporen kon een aantal funderingsgreppels geïsoleerd worden van drie houten gebouwen. Alle drie lijken gelijktijdig minstens twee keer verbouwd te zijn. De verschillende bouwfasen zijn nog niet helemaal uitgewerkt en gedateerd. Het lijkt er echter op dat de oudste fase kort voor het midden van de eerste eeuw na Christus gedateerd moet worden. Dit zou kunnen worden geconcludeerd uit de scherven in de vulling van de greppels.
Het gaat om houten huizen van ongeveer 35 meter lang en 9 meter breed. De voorkant van deze huizen ligt aan de Romeinse weg, die onder de huidige Grotestraat gezocht moet worden. De precieze functie is nog onbekend. Wel is duidelijk dat ze deel uitmaakten van de vicus, de burgerlijke nederzetting rond de militaire versterking die in dezelfde tijd in Cuijk is gebouwd.


In de tweede en derde bouwfase werden de huizen ingekort tot zo'n 20 meter.
Binnen de huizen waren werkplaatsen ingericht waar ijzer en brons werden bewerkt. Dit blijkt uit de slakken die zijn gevonden. Hiermee lijken de gevonden huizen annex werkplaatsen op gebouwen die elders in vergelijkbare nederzettingen bij militaire versterkingen zijn gevonden. De bewoners verdienden de kost met hun werkzaamheden voor de soldaten en voor de bevolking van de regio rond Cuijk. De huizen zelf waren eenvoudig van aard met lemen wanden en een rieten dak. Op de achtererven zijn enkele waterputten gevonden die zeker meer dan vijf meter diep zijn ingegraven.
Gezien de verbrande resten van de lemen wanden lijken de huizen van periode twee door brand verwoest te zijn. Wanneer die brand heeft plaatsgevonden, is nog niet helemaal duidelijk, maar zeker nog in de eerste eeuw. In een kuil die waarschijnlijk uit periode drie stamt, is een grote hoeveelheid ijzer gevonden. Het lijkt een voorraadje oud ijzer van een smid te zijn, maar wat de bijna twintig munten in deze kuil doen, is een raadsel. Tot hoe ver in de tweede eeuw deze huizen hier hebben gestaan, is nog onduidelijk. Dichter bij de kerk in het centrum van Cuijk zijn bij ouder onderzoek resten van een Gallo-Romeinse tempel gevonden.

Rond het jaar 170 lijkt het in onze streken tamelijk onrustig te zijn geweest. Dit blijkt onder andere uit brandlagen in steden als Tongeren en Nijmegen. Wat er zich in die tijd in Cuijk heeft afgespeeld, weten we nog niet. Tijdens het onderzoek aan de Grotestraat zijn op ongeveer 80 centimeter onder het maaiveld de dieper gelegen funderingsresten van een groot gebouw gevonden. Op drie plaatsen moeten de houten wandpalen op grote molenstenen hebben gestaan, die als poeren of stiepen hebben gediend. Andere palen waren op in kuilen gegooide stukken dakpan gefundeerd.
De functie van dit grote gebouw met een stenen fundering en een pannen dak was niet duidelijk tot op een iets dieper gelegen plek een halfrond vloertje met een tufstenen muurtje er omheen werd gevonden. De binnenkant was afgesmeerd met een pleisterlaag. Waarschijnlijk gaat het om een kleine apsis van een Romeins badhuis, die bewaard is gebleven doordat de vloer door haar eigen gewicht in de loop van de tijd in een oudere waterput is weggezakt. Deze waterput lijkt in het begin van de derde eeuw gedateerd te moeten worden. In de buurt bevond zich nog een klein stukje van een goot van tufsteen, een waterleiding?


Ook iets verder weg is een deel van een dergelijke goot gevonden. Deze had een bodem van liggende dakpannen, terwijl de wanden voornamelijk van ijzeroer waren. Op twee plaatsen zijn ‘zinkputten' van urinoirs gevonden. Op een aantal andere plekken zijn haardplaatsen gevonden. Werd hier het water voor het badhuis verwarmd?
De plattegrond van dit eens imposante bouwwerk is slechts voor een klein deel bewaard gebleven doordat de bouwstenen in de late middeleeuwen opnieuw zijn gebruikt. Bovendien zullen de ploeg van de boer en bouwactiviteiten in meer recente tijd ook hebben bijgedragen aan het verdwijnen van de resten van dit badhuis.
Uit onderzoek is duidelijk geworden dat in dit deel van het centrum een waardevolle erfenis uit het verleden van Cuijk verborgen ligt. De Romeinse sporen lijken zelfs veel beter bewaard te zijn gebleven dan iedereen tot voor kort dacht. Waarschijnlijk zijn door alle ophogingen de resten van het Romeinse Ceuclum zo goed bewaard gebleven dat we een voor Nederland unieke situatie hebben. Op andere plaatsen zijn vergelijkbare nederzettingen door latere bouwactiviteiten of riviererosie namelijk voor een groot deel vernietigd.
Met de sporen van het oudste Cuijk moeten we zuinig omspringen en als er in de (nabije) toekomst in dit gebied een schop de grond in gaat moet dit in goed overleg gaan. In ieder geval zal iedere keer weer archeologisch onderzoek nodig zijn op die plaatsen waar het archeologische erfgoed niet gehandhaafd kan blijven.



Op zoek naar het verre verleden van De Nielt:

De oudste vondst
Op het gehele terrein worden archeologische vondsten uit een ver verleden aangetroffen. De oudste vondst duidt op de aanwezigheid van jager-verzamelaarsgroepen in het laatste deel van de vroege steentijd. Een zogenoemde Tjongerspits, een bekend type vuurstenen pijlpunt, is hier ergens tussen 11800 en 9300 jaar geleden door een jager afgeschoten. Andere vuurstenen werktuigen uit de steentijd worden op De Nielt geregeld gevonden maar zijn minder oud dan de hierboven genoemde spits. Steeds bleek de hoge zandrug met aangrenzende natte laagtes en open water een aantrekkelijke plaats voor de jager-verzamelaars, maar waarschijnlijk ook voor de vroege landbouwers van de nieuwe steentijd.

 
Archeologisch onderzoek op De Nielt
Voordat in de jaren 2000 en 2001 het eerste grootschalig verkennend archeologisch onderzoek in de Heeswijkse Kampen plaatsvond, was de archeologische potentie van De Nielt nog vrijwel onbekend. Sporen uit het verleden konden hier alleen maar worden vermoed. Er waren voorheen immers maar weinig vondsten op het terrein gedaan. Dit in tegenstelling tot de al bebouwde delen van de Heeswijkse Kampen, waar onder meer grafvelden en nederzettingen uit de prehistorie en de Romeinse tijd waren aangetroffen.
Tijdens vooronderzoek werd duidelijk dat De Nielt, van oorsprong een hoge zandkop, tot dan toe verschillende opmerkelijke verrassingen voor ons verborgen had gehouden.

Zo werden er in de proefsleuven vuurstenen werktuigen gevonden uit de tweede helft van de Late Steentijd, die dateren vanaf ongeveer 3800 tot 2000 v. Chr. Verder kwamen sporen van woonplaatsen uit de daarop volgende Bronstijd (2000 tot 800 v. Chr.), relicten van houten boerderijen uit de IJzertijd (800 tot 12 v. Chr.) en de resten van één of meerdere nederzettingen uit de Romeinse tijd (12 v. Chr. tot 450 n. Chr.) aan het licht. De grote tijdsdiepte die op het terrein vertegenwoordigd was en de ogenschijnlijk goede conservering van de archeologische resten maakten De Nielt tot een bijzonder en waardevol onderzoeksobject. Een spectaculaire vondst in 2006 liet de Nederlandse pers warm lopen. Een pot met oude Romeinse munten werd opgegraven.



Bataafse boerderijen in het zand
Ondanks het grote aantal vondsten en sporen uit de Bronstijd (2000-800 v Chr.) en de IJzertijd (800-12 v Chr.) blijkt de Romeinse tijd (12 v Chr-450 na Chr.) op De Nielt het meest duidelijk vertegenwoordigd. Werd er in het vorige bericht nog gesproken over 9 gebouwplattegronden uit die periode; inmiddels zijn de resten van ca. 24 gebouwen onderzocht. Zij behoren tot een inheemse, waarschijnlijk Bataafse nederzetting. In de meeste gevallen gaat het om boerderijplattegronden, vaak van een type dat zich kenmerkt door de aanwezigheid van in de zandige ondergrond ingegraven wandgreppels. In deze greppels werden de onderkanten van wanden van de huizen geplaatst. In de lengte-as van de boerderij bevond zich een centrale rij dakdragende zware palen. De grootste tot nu toe ontdekte boerderij meet ruim 20 x 7 meter. Een huis met aanbouw, dat nu pas gedeeltelijk is blootgelegd, lijkt dat formaat ruimschoots te gaan overtreffen. Een markant type gebouwplattegrond betreft een horreum. Het gaat hier om een grote, op een platform verhoogde graanopslagplaats van ca. 10 x 10 meter.


Hoewel de werkelijke ontwikkeling van de nederzetting uit de Romeinse tijd nog moet worden ontrafeld, lijkt het er op dat de vroegste bewoning zich op het westelijke deel van de hoge zandrug bevond. In een gevorderde fase van de Late IJzertijd of het begin van de Romeinse periode was hier in elk geval één boerderij aanwezig. Tijdens de opgraving daarvan zijn in de greppels en in de paalsporen verschillende fragmenten van al dan niet versierde glazen armbanden en kenmerkend handgevormd aardewerk gevonden. In de eerste eeuw na Chr. hebben er op dat westelijke terreindeel nog verschillende boerderijen met hun bijgebouwen gestaan. Hoeveel er daarvan werkelijk gelijktijdig zijn geweest valt nog niet te bepalen. De bewoning uit de tweede eeuw lijkt iets verder naar het oosten op dezelfde zandrug te hebben plaatsgevonden. Hier zijn verschillende wandgreppelboerderijen met bijgebouwen blootgelegd.

In tegenstelling tot het in de eerste eeuw bewoonde areaal, waar met de hand gevormde potten de norm lijken, vinden we in dit gedeelte vooral op de draaischijf gemaakt aardewerk. Ook vinden we hier fragmenten van Romeinse dakpannen. Of die hier werkelijk als dakbedekking op de huizen hebben gelegen, of dat zij ergens anders voor gediend hebben, bijvoorbeeld als plaveisel voor stookplaatsen, moet nog worden onderzocht. Vondsten van ijzer en brons komen in de nederzetting ook voor. Zo zijn er enkele Romeinse munten en een aantal fibulae of mantelspelden naar boven gebracht. Dergelijke mantelspelden waren al in de IJzertijd een belangrijk onderdeel van de klederdracht. De hier gevonden exemplaren zijn echter typisch voor de eerste eeuwen van onze jaartelling. Een opmerkelijke vondst betreft een ijzeren rooster of ‘komfoor’ die in een kuil is gevonden.



Germanen op Cuijkse gronden
Nederzettingssporen die duidelijk in de derde eeuw te dateren zijn, ontbreken vooralsnog. Dat er daarna in de Romeinse Tijd nog wel degelijk gewoond werd op De Nielt, is duidelijk door de zogenoemde hutkommen, een vermoedelijke huisplattegrond en het karakteristieke aardewerk dat daarin is gevonden. Hutkommen zijn half in de grond ingegraven gebouwtjes voorzien van een dak, waarin ambachtelijke werkzaamheden konden worden uitgevoerd of waarin vergankelijke producten koel gehouden konden worden. Dit gebouwtype komt ten zuiden van de Maas eigenlijk pas vanaf de late derde eeuw voor en wordt vooral toegeschreven aan Germaanse kolonisten die van buiten het Romeinse rijk afkomstig waren. Bij de Havenlaan is enkele jaren geleden al een dergelijke derde eeuwse hutkom met ‘Germaans’aardewerk opgegraven. Het aardewerk dat is gevonden in de hutkommen op De Nielt, vooral scherven van zogenaamde voetbekers, duiden op een datering in de vierde eeuw, de tijd dat het castellum van Cuijk zijn bloeiperiode kende.  



De middeleeuwen in beeld?
Uit de periode na de Romeinse tijd, de Vroege Middeleeuwen, zijn tot op heden geen sporen aangetroffen. De Nielt lijkt vooralsnog na de vierde eeuw te zijn verlaten als nederzettingsterrein. Pas in een gevorderd stadium van de Middeleeuwen, misschien in de 11e of 12e eeuw lijkt er voor het eerst weer een boerderij te zijn gebouwd. Het gaat om resten van een houten huis van het zogenaamde ‘bootvormige’ type. Daarnaast stonden enkele kleine bijgebouwen. De middeleeuwse woonplaats op De Nielt was zeker geen lang leven beschoren. Deze lijkt al snel te zijn verplaatst naar een andere locatie. Er is hier tijdens de Middeleeuwen geen huis meer herbouwd.


De Nielt in latere tijden
Dat er na de Middeleeuwen weer is gewoond, is niet alleen duidelijk door de aanwezigheid van nog tot voor kort functionerende boerderijen op ‘De Nielt’. Zij komen ook al voor op oude kaarten. De opgravingen op de westpunt van De Nielt, enkele honderden meters verwijderd van deze boerderijen, hebben enkele sporen opgeleverd die mogelijk uit de 16e of de 17e eeuw stammen. Een waterput, gemaakt van taps toelopende bakstenen, heeft ongetwijfeld gehoord tot een boerderij die hier in die periode heeft gestaan. Muurresten van dat huis zelf zijn niet teruggevonden. Wel zijn er enkele veldbrandovens voor de productie van bakstenen opgegraven. Eén daarvan zou zeer wel mogelijk met de bouw van dat missende huis te maken gehad kunnen hebben.
 


Vervolgonderzoek
Nu, ongeveer vijf jaar na het eerste vooronderzoek, is het grootschalige vervolgonderzoek al weer twee maanden bezig. Er is nu al meer dan een hectare blootgelegd. De verwachtingen die voortkwamen uit het proefsleuvenonderzoek zijn bevestigd, zo niet overtroffen. Sporen uit de Bronstijd, vooral in de vorm van kuilen, paalsporen en gebruiksvoorwerpen, tonen aan dat er destijds verspreid op de zandkop boerenerven aanwezig waren. Nederzettingssporen uit verschillende fasen van de IJzertijd blijken op vrijwel het gehele hoge gedeelte van De Nielt voor te komen. De Romeinse tijd lijkt met de resten van ten minste negen houten boerderijen tot nu toe het best vertegenwoordigd. Het betreft een nederzetting van de inheemse bevolking. De bevindingen zijn onder meer van belang om de relatie tussen een regionaal centrum zoals Cuijk dat in de Romeinse tijd was (Ceuclum) en het directe achterland te bestuderen. Hoe reageerde de inheemse bevolking in de eerste eeuw na Chr. op de inrichting van een (vermoed) militair fort en de ontwikkeling van een klein stedelijk centrum (vicus)? In hoeverre is de bloeiperiode van Ceuclum in de tweede eeuw na Chr. en de militaire aanwezigheid in het vierde-eeuwse castellum weerspiegeld in de archeologie van de inheemse nederzettingen?

 
Lijst van pandheren
A. Heren.  
DYNASTIE CUIJK.  
   
? - 1080 Herman van Malsen
voor 1096 - 1108 Hendrik de eerste, zoon van Herman van Malsen
1108 - 1167 Herman, zoon van Hendrik de eerste
1167 - 1204 Hendrik de tweede, zoon van Herman
1204 - 1233 Albert, zoon van Hendrik de tweede
1233 - 1254 Hendrik de derde, zoon van Albert
1254-1308: Jan I - Ten tijde van zijn minderjarigheid onder voogdij van zijn oom Rutger, heer van Herpen.
1308-1318: Jan II - Was een zoon van Hendrik van Cuijk en een kleinzoon van Jan I.
1318-1350: Otto - Was een zoon van Jan 1.
1350-1353: Jan III - Was zoon van Willem van Cuijk en kleinzoon van Jan I.
1353-1355 Jan van Wytvliet heer van van Cuijk.
1355-1358: Jan III - Was een zoon van Willem van Cuijk en een kleinzoon van Jan 1.
1358-1363: Jan IV - Was een zoon van Jan III
1363-1382: Jan V. - Was een zoon van Jan IV stond tijdens zijn minderjarigheid onder voogdij van Diederik van Horne.
1382-1390: Wenemar. - Was een zoon van Jan III
1390-1394: Jan VI. - Was een zoon van Wenemar.
1394--1400: Johanna. - Was een dochter van Wenemar.
   
DYNASTIE GULIK(GELRE).
1400-1402: Willem 1.
1402-1423: Reinald.
   
DYNASTIE EGMOND(GELRE).
1423-1465:  
1471-1473: Arnold. - Stond tijdens zijn minderjarigheid onder voogdij van zijn vader Jan van Egmond.
1465-1471: Adolf.
   
DYNASTIE VALOIS(BOURGONDIE)·HABSBURG.
1473-1477: Karel I.
1477-1495: Maximiliaan. - Gehuwd met vrouwe Maria van Bourgondie
1495-1506: Philips I
1506-1555: Karel II. - Stond tijdens zijn minderjarigheid onder voogdij zijn grootvader Maximiliaan.
1555-1598: Philips II. - Vanaf 1581 betwist door de Staten Generaal der
Verenigde Nederlanden te 's Gravenhage.
1598-1621: Isabella en Albrecht. - Betwist door de Staten Generaal der Verenigde Nederlanden te 's Gravenhage.
   
DYNASTIE ORANJE·NASSAU.
1611-1625: Maurits - Betwist door Isabella en Albrecht, die zich eveneens
vrouwe en heer van Cuijk beschouwden, en vanaf 1621 door Philips IV, hertog van Brabant.
1625-1647: Frederik Hendrik.
N.B. Betwist door Philips IV, hertog van Brabant.
1647-1650: Willem II.
N.B. Tot 1648 betwist door Philips IV, hertog van Brabant.
1650-1702: Willem III. - Stond tijdens zijn minderjarigheid onder voogdij van zijn moeder Maria van Oranje, geboren Stuart, en van zijn grootmoeder Amalia van Oranje, geboren van Solms. Na zijn overlijden ontstonden er erfopvolgings moeilijkheden en nam de Nassause Domeinraad het bewind waar tot 1734
1734-1751: Willem IV.
1751-1795: Willem V.
   
6. Pandheren.
±1430-±1442: Willem, heer van Buren.
   
DYNASTIE GLYMES·EGMOND(BUREN).
±1496-1508: Cornelis van Bergen.
1509-1539: Floris van Egmond.
1539-1548: Maximiliaan van Egmond.
1548-±1550: Anna van Egmond.
   
DYNASTIE ORANJE-NASSAU.
1559-1584: Willem van Oranje.
1584-1611: Maurits van Oranje.
   
N.B. Samengesteld door drs. J. A. Coldeweij te Deventer voor wat de dynastie Cuijk betreft.

Slotwoord van Annemarie Kissing:
Het beschrijven van de geschiedenis van Cuijk blijkt niet eenvoudig.
Hoe dan ook, we kunnen concluderen dat Cuijk in de loop der eeuwen een ware gedaanteverwisseling heeft ondergaan.



Opgetekend door:

Annemarie Kissing Cuijk

gelezen door Piet Schoonhoven Cuijk

met correcties door Ger Graat Haps

aanvullingen door Rinus de Vries, voor www.janvancuijk.eu

Bezienswaardigheden:  
Fotoarchiefdienst Cuijk Foto Archief Gemeente Cuijk, veel informatie en foto's van oud Cuijk
Museum Ceuclum Romeinse Geschiedenis
Looierijmuseum Hoe werd leer gemaakt
St. Martinuskerk met het Sevrijnorgel Concerten
Carillon in Cuijk Carillonconcerten
Vrije markt Zaterdagse overdekte markt
Archeologische werkgroep Werkgroep voor onderzoek
Jan van Cuijkmolen Molen
VVV Cuijk info Culturele route, toerist information Cuijk

Geraadpleegde Bronnen:

Dr. J.A. Coldeweij, proefschrift over de Heren van Cuijk in de periode 1096 - 1400. Leiden 1982.
H.J. van Hulten, Brokstukken uit de geschiedenis van het Land van Cuijk, deel II. Haps 1961
Diverse publicaties door de Streekarchiefdienst van het Land van Cuijk te Grave.
Archiefdienst Land van Cuijk in Grave
Foto Archiefdienst Cuijk
Website gemeente Cuijk
De werkgroep Archeologie Cuijk
Een onderzoek naar de absolute rechten van de Heren van Cuijk H.B.M Essink
library.thinkquest.org/22866/Dutch/Kaarten/Peutinger.html
Stichting Mergor in Mosam
Websites:
 
Langs de Maas.nl
Werkgroep Archeologie in Cuijk
Fotoarchiefdienst.nl
Wikipedia.org/wiki/Cuijk
Cuijk.nl
Stichting Mergor in Mosam
Noviomagus Nijmegen


Protestantse kerk Geschiedenis Cuijk

200 jarig bestaan kerkgebouw Protestantse kerk Cuijk

In juni 2010 hopen we op feestelijke wijze het 200 jarig bestaan van ons kerkgebouw te vieren. In de aanloop daar naar toe schreef Jantinus Koeling maandelijks een stukje over de geschiedenis in ons kerkblad over Cuijk – en de kerk – in de Franse tijd.

In juni 2010 vieren wij op feestelijke wijze het 200 jarig bestaan van ons kerkgebouw. Op 3 juni 1810 werd de kerk in een feestelijke kerkdienst door dominee Traus ingewijd “voor een talrijke vergadering van rondom toegevloeide menschen”.

Een lange weg van 10 jaren van beroerde huisvesting en vele verzoekschriften om geld ging aan dit feest vooraf.

Het bezoek van koning Lodewijk Napoleon aan Cuijk op 14 april 1809 en het koninklijk decreet van 4 mei waarin aan Cuijk 6000 gulden subsidie wordt toegekend voor de bouw van een protestantse kerk zijn belangrijke stappen op die weg.

Kerkmeester van der Lee legt op 12 juli 1809 de eerste steen. De gedenksteen boven de ingang van de kerk herinnert aan dit moment.

Het is voor ons, leden van de protestantse Gemeente van Cuijk en omgeving een goede reden om aan dit jubileum feestelijk aandacht te besteden. Een ruime tijd van voorbereiding komt ons daarbij goed van pas. 

De kerkbouw vindt plaats op een keerpunt in onze geschiedenis, aan het einde van een periode die we kennen als “de Franse Tijd”.

De revolutie in Frankrijk in 1794 gaat aan de Nederlandse regenten niet ongemerkt voorbij. De Nederlandse “patriotten” nemen met de Fransen in 1795 het politieke bestel over en vestigen de “Bataafse Republiek”, het begin van een democratie. Wanneer Napoleon het heft in handen neemt, benoemt hij in 1806 zijn broer Lodewijk Napoleon tot koning over het Koninkrijk Holland. Lang bestaat dat koninkrijk niet want in 1810 wordt het ingelijfd in het Franse Keizerrijk, dat spoedig daarna ook weer ten val komt in 1813.

De nieuwbakken koning is een bevlogen bestuurder en verstaat – meer dan zijn broer – de kunst de harten van zijn onderdanen te veroveren.

Na de slag bij Waterloo in 1815 vertrekken alle Fransen weer naar Frankrijk en vindt het nieuwe “Koninkrijk der Nederlanden” onder koning Willem 1 de lang verwachte rust. 

Hoe onrustig deze tijden ook waren, voor Brabant betekende deze omwentelingen een grote verbetering. Het gebied was sinds 1648 eigenlijk een soort “overwonnen gebied” zonder rechten. De “Hollanders” van boven de rivieren waren er de baas en verdeelden de (lucratieve) baantjes. Het is in deze tijd dat de protestantse (gereformeerde) gemeenten in Brabant ontstonden. Met aan de ene kant rijke regentenfamilies en aan de andere kant eenvoudige ambtenaren, militairen en handelslui.

Met de komst van de Bataafse republiek komt er een eind aan deze vorm van “kolonialisme” en verwerft Brabant een positie als één van de 17 provincies. 

Wat dit allemaal in Cuijk teweegbracht: daarover hopen we u in het komende jaar meer te vertellen.

Deel 2: Koning Lodewijk Napoleon op bezoek

Na zijn aanstelling in 1806 tot koning van Holland door broer keizer Napoleon heeft Lodewijk zijn best gedaan om voor ons land een bijdrage te leveren aan betere leefomstandigheden, redelijkheid en vrede.

Het land was er slecht aan toe. Daardoor was er veel gebrek en armoede. In 1809 waren er grote overstromingen in het rivierengebied. De koning ging zelf kijken, o.a. in Tiel en vandaar reisde hij via Nijmegen naar Grave voor een rondreis door Brabant. 

Op vrijdag 14 april kwam hij Cuijk binnen., zo ongeveer waar nu de spoorwegovergang is bij Albert Heijn. Daar stond toen een molen op de Zandberg.

Via de (onverharde) Molenstraat kwam hij met een gele reiskoets getrokken door zes paarden en een groot gevolg van 30 personen en een lijfwacht van 60 huzaren aan op de Grotestraat. De heette toen Varkensmarkt (noordelijk gedeelte) en verderop Steenstraat. 

Voorafgegaan door 60 in het wit geklede meisjes die een loflied op de koning zongen en bloemen en palmtakjes strooiden, trok het gezelschap onder de opgestelde erebogen door naar de Varkensmarkt. De gilden van Cuijk en Heeswijk stonden in twee rijen opgesteld. De president van het gemeentebestuur bood de koning de erewijn aan. Van zijn toespraak of het verzoekschrift is het concept bewaard gebleven.

Bij die gelegenheid heeft ook dominee Traus, staande op straat, de koning toegesproken om de kerkelijke problemen uiteen te zetten. Na een half uur in Cuijk te hebben doorgebracht bezocht de koning het klooster van Sint-Agatha. Van hieruit trok de stoet over Beugen naar Boxmeer, waar hij overnachtte in het kasteel.

’s Avonds om 11 uur heeft een delegatie van de Cuijkse kerkenraad nog een gesprek met de minister voor de Eredienst. Deze geeft goede hoop en belooft zijn best te zullen doen. 

Deel 3: Subsidie van de Koning. 

De reis van koning Lodewijk Napoleon door Brabant had meerdere doelen. Voorop stond dat hij het land en de bevolking beter wilde leren kennen en ook zijn eigen persoon en bedoelingen bekend wilde maken, goodwill kweken dus.

Zoals onze regering zich een 100 dagen termijn gunde om “in het land” de problemen te verkennen, zo ging ook Lodewijk het land door om zelf te zien hoe de economische, sociale en kerkelijke toestanden waren, en wat er aan te doen was. 

In dit artikel beperken we ons tot de kerkelijke problemen, anders wordt het te lang. 

Kerkelijk was de toestand erg oneerlijk. Dat had een ingewikkelde oorzaak die terug te voeren is op de Reformatie die in de 16e en 17e eeuw doorbrak. De protestanten werden vervolgd (en hoe!) vanwege hun ongehoorzaamheid aan de macht van de Rooms-Katholieke kerk. Omdat de trouw aan de RK kerk en het Spaanse gezag samen gingen ontstond er in de 80 jarige oorlog de situatie Spaans/RK tegenover Vrijheid/Protestants. Het eindresultaat voor Brabant in 1648 was: door de Vrije Republiek overwonnen op de Spanjaarden, de RK kerk werd verboden en de kerkgebouwen werden toegewezen aan de protestanten, en die waren maar een kleine minderheid van de bevolking.

In de loop van de 17e en 183 eeuw waren de bepalingen tegenover de Rooms-Katholieken wel verzacht, waarbij het gebruik van schuurkerken was toegestaan. Maar het was en bleef een achtergestelde positie. Na de intocht van de Fransen in 1794 werden de rollen omgedraaid.

Veel kerken werden weer onteigend voor de RK kerk en de protestanten, de hervormden, moesten zich behelpen in woonhuizen, schuren etc. Daarover later meer. Vaak wordt alleen de laatste helft van het verhaal verteld, maar het geheel geeft wel een beter, eerlijker beeld. 

Koning Lodewijk reisde door Brabant van 14 april tot 4 mei 1809. Hij bezocht meer dan 80 plaatsen en sprak met veel plaatselijke machthebbers en kerkelijke leiders.

In Bergen op Zoom aangekomen besteedde de koning veel tijd aan het overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken en Eredienst, Mollerus en de Landdrost van Brabant, De La Cour.

Op 2 en 3 mei gaf hij Koninklijke Besluiten (K.B.) uit met aanwijzingen voor de bevordering van de werkgelegenheid en de verbetering van de verbindingen.

Op 4 mei tenslotte een KB over de kerken. Lodewijk was vastbesloten om de geschillen tussen katholieken en hervormden voorgoed op te lossen. Hij gaf aan dat in 26 plaatsen de hervormde gebouwen aan de katholieke inwoners werden toegewezen. (noot: dat was in Cuijk in 1799 al gebeurd). De financiële vergoeding werd in het decreet geregeld. Totaal werd 150.000 gulden beschikbaar gesteld. Voor onze gemeente was van groot belang: 

“art.2. Te Cuijk zal voor de Hervormden aldaar, gelijk mede voor die van St. Agatha, Beers, Mill, Wanrooy, Ledeacker, Habs en Linden een Kerk worden gebouwd, waarvoor wordt toegelegd eene som van zes duizend gulden. De parochiekerk te Mill zal, nadat voornoemde kerk zal zijn gebouwd, aan de Roomsch Catolyken overgaan.”  

Deze toezegging kwam met veel vreugde binnen. De zaken werden vlot aangepakt. Op 16 juni staat in de ’s Hertogenbossche Dinsdagse en Vrijdagse Courant een bericht van aanbesteding: 

“Op woensdag 21 ste van Wiedemaand 1809 ten gerichtshuize van Cuijk publicq aan de minstdoende aan te besteden het bouwen van eenen nieuwen kerk.”

Dezelfde dag al wordt er gewerkt aan het uitzetten van de kerk en egaliseren van het terrein. Op 12 juli 1809 gaat de kerkbouw officieel van start met het leggen van de eerste steen door de kerkmeester Van Der Lee. In onze kerkdienst van zondag 12 juli 2009 willen we daar met dankbaarheid stil bij staan. 

Deel 4: De bouw van de kerk. 

De financiële oplossing voor een eigen kerk was bereikt door de royale gift van koning Lodewijk Napoleon. Jarenlang was er al gezocht naar een uitweg uit de beroerde huisvesting in een pakhuisje zo groot als een huiskamer. 

Technisch was men aardig voorbereid op het bouwen van een kerk. Een commissie uit de kerkenraad was al eens op pad geweest naar Ravenstein, Gennep en Haps om “aldaar de kerk te bezien”. In Ravenstein en Gennep ging het om al lang bestaande Protestantse kerken. In Haps was in 1808 een RK kerk in aanbouw, die echter in 1900 weer is afgebroken.

Voor het ontwerp en het bestek had men een beroep gedaan op Matthias Snoeck, broer van de diaken David Snoeck. 

Matthias Adrianus Snoeck werd geboren in Zaltbommel in 1761. Hij is al jong militair geworden en ingedeeld bij de genie. In 1788 komen we hem tegen als luitenant-ingenieur, belast met het vervaardigen van militaire topografische kaarten. Met 2 anderen zorgde o.a. voor het in kaart brengen van het gebied tussen Coevorden en de Dollart in opdracht van prins Willem V. 

Het Cartografisch bureau werkte zo nauwkeurig dat de Fransen het (20 jaar later) niet nodig vonden het opnieuw te doen, ze namen de kaarten zonder meer over. Tijdens de invallen van de Franse troepen in 1793/1794 vocht hij voor de prins. Nadien was hij ondergronds bezig en zond veel gegevens naar Engeland. Hij wist ook daarheen te ontsnappen. In 1802 werd de vrede van Amiens getekend en keerde Snoeck, bevorderd tot majoor-ingenieur terug naar Holland. 

Hij vestigde zich in Nijmegen en trouwde in 1804 met Geertruida Helena Meynhardt, weduwe van L.E.A de Quay. Ze gingen wonen op de Barendonck bij Beers. 

Tijdens zijn militaire carrière werd hij o.a. belast met de blokkade van de vesting Grave waar de Fransen tot 14 mei 1814 stand hielden. Wegens zijn grote verdiensten en moed werd Matthias in 1816 benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde en bevorderd tot kolonel (in 1817) en in 1826 tot generaal-majoor. In 1832 ging hij met eervol pensioen. 

Hij kon ook heel verdienstelijk schilderen. Een knap riviergezicht van Cuijk uit ca. 1835 is van zijn hand. In 1839 werd Snoeck in de adelstand opgenomen als jonkheer en Heer van de Barendonck. Zowel hij als zijn vrouw zijn in 1840 kort na elkaar overleden en begraven op het protestants kerkhof in Cuijk, nu de beeldentuin. 

Het bouwterrein en zijn schenker(s)
Aan de rand van het dorp langs de Steenstraat, de doorgaande weg naar het Zuiden, lag een akker, Den Pikkert genoemd. De eigenaar was Pieter van der Lee (1730-1821).

Om de kerkbouw mogelijk te maken, schonk hij een stukje van zijn akker, net groot genoeg voor de kerk. Uit het kerkarchief weten dat “buiten de kerk geen handbreed grond” eigendom van de gemeente was. 

Wie was Pieter, getrouwd met Johanna Lezier??

Hij was al in 1752 administrerend diaken en in de periode 1768 tot 1800 meestal kerkmeester, zoals ook in 1809 bij de eerste steenlegging. In 1811 werd hij als ouderling vermeld op de klok. In 1814 is zijn vrouw overleden op 18 mei. Ze werd “ den 21 mei ’s morgens om 4 uuren begraven. Den dag van overlijden en begraven elk reis een uur (de klok) geluid”; zo ging dat toen. 

Van het kerkterrein valt nog te vertellen dat het waarschijnlijk onderdeel is van het Romeinse grafveld. Vanaf de schouwburg tot onze buurman Bartels is veel gevonden in de tuinen. Toen op 17 en 24 juni 1809 op het bouwterrein “ de grondslag werd gereguleerd” door de heren Ebben en Willems was ik daar graag bij geweest, maar dan had het grondwerk misschien wat te lang geduurd!

De pachter van de Pikkert, Jan Huysman, had schade van de kerkbouw omdat hij “sijn hofvrugten op een ontijdige wijze had moeten ruymen”. Hij ontving “sulx bij schikking, ingevolge quitantie 32 gulden”.

Deel 5: Het kerkbestuur, de kerkenraad.

Uit het actenboek en allerlei losse gegevens krijgen we een beeld van het kerkbestuur in de periode 1795-1813. Daarvan een schets. 

De meest prominente man (het waren allemaal mannen) was wel dominee Traus. Gedurende lange tijd, van 8 augustus 1790 tot in 1818 waas hij de zeer actieve herder en leraar, motor en promotor van de kerkgemeenschap. Naast hem waren er afwisselend meestal ongeveer 6 kerkenraadsleden; twee ouderlingen, twee diakenen en twee kerkvoogden/kerkmeesters. Ook vacatures waren toen al aan de orde. 

Dominee Carl Ludwig Traus, geboren in 1752 kwam uit Dillenburg, Nassau en was vanaf 1778 Hoogduits predikant. Hij kwam van Cranenburg, net over de grens, toen hij beroepen werd door/namens de prins Willem V in 1789. Samen met zijn vrouw Alida Philipina Zehender kwam hij in Cuijk wonen. Tot 1797 huurde hij het huis aan de Maasstraat van weduwe Hoefnagels. Vanaf 1798 betaalde Traus zelf de cijns (een soort belasting) aan de Martinuskerk, dus waarschijnlijk heeft hij het huis gekocht. 

Ze hadden een tamelijk groot gezin. In 1804 waren er zes kinderen. Bovendien waren er in de periode 1791 tot 1799 drie kinderen gestorven. In 1811 zijn op dezelfde dag twee kinderen gestorven. De familie heeft dan ook veel droefenis en rouw gekend. 

Uit de actenboeken komt naar voren dat de dominee, behalve in zijn pastorale taken ook zeer actief was in de strijd om een kerkgebouw en om de handhaving van de protestantse gemeente in de overheersende rooms-katholieke dorpsgemeenschap. Pastoor-deken Kerstjens was daarbij een geducht tegenstander. Een bijkomende factor is nog dat de municipaliteit, zeg maar de gemeenteraad, ook geheel katholiek was. 

Het tractement (salaris) van de dominee werd betaald uit het fonds van de geestelijke goederen in Den Haag. Het bedroeg in 1810 totaal per jaar 792 gulden inclusief toeslagen en kindergeld van het vierde en achtste kind. Vanaf 1818 was hij van tijd tot tijd ziek. In 1820 een zware beroerte, gedeeltelijk hersteld, echter te zwak voor zijn taak. In november 1820 vraagt hij het emeritaat (pensioen) aan. Op 26 februari 1821 overleed hij en is op 3 maart in Cuijk begraven. 

Jan Carel Heinsius (1752-1820), kerkvoogd in 1798, was lid van een familie van belangrijke ambtenaren in het Land van Cuijk. In de 17e tot 19e eeuw waren de leden van deze familie allen lid van onze kerk.

Ketelaars G.C., kerkvoogd in 1798.

Pieter van der Lee hebben we al ontmoet in een vorig artikel, o.a. als schenker van het bouwterrein. 

Anthonie van Leeuwen was diaken in 1809-1811 en kerkvoogd in 1818, gehuwd met A.M. van Ladestein en later met Charlotte Agneta Geistman, dochter van Hendrik Geistman, schepen van Beers.

Van Leeuwen had het goed voor elkaar. Hij woonde in het huis naast de kerk. Toen dat in 1854 te koop kwam zocht de kerkenraad mogelijkheden om het te verwerven. Dit te meer toen men er lucht van kreeg dat:

“ op een perceel land, naast de kerk gelegen, de roomschen voornemens waren, tot ergernis van de gereformeerden, eene herberg te bouwen” .

(aldus ds. Loggert, president van prov. Kerkbestuur Noord-Brabant).

Het huis van Van Leeuwen werd gekocht door de diaconie en een subsidie van de synode ontvangen voor de aankoop van het stuk land. Ook was er op de Horch (Hork) een soort buitenplaatsje met waterpartij dat in het kadaster van 1837 op naam staat van Van Leeuwen. Het was een prachtig natuurgebied dat in 1990 is omgetoverd tot industrieterrein. 

Adriaan Jan Jacob Prinsen (….-1816), ouderling in 1809-1811, was getrouwd met Alida Deliana Verster de Balbion. Hij was landschrijver van het Land van Cuijk en een vooraanstaande figuur.

Bij de inval van de Fransen in 1794 was hij gevlucht. Naderhand kwam hij terug om zijn functie weer in te nemen. Hij had als prinsgezinde wel last gehad van de zuivering maar doorstond het onderzoek met glans en keerde terug op zijn post als landschrijver. 

Jan Willem Roessingh (1766-1855), ouderling in 1809, was omstreeks 1799 naar Cuijk verhuisd als commies collecteur der convoyen en licenten (douane-ambtenaar).

In zijn jonge jaren was hij lid van het Leidse studenten-exercitie genootschap en was militair actief tegen de Pruisen in 1787 (een lang verhaal; betreft oproer tegen prins Willem V). In 1797 huwde hij met Wilhelmina Helena Heinsius.

De zilveren avondmaalskan en een beker zijn door hem en zijn vrouw geschonken aan de kerk in 1847 en 1854. 

David Snoeck (1763-1851), diaken in 1809-1811 en ouderling in 1818. Hij is in 1806 gehuwd met Louisa J.B. Heinsius. Als gepensioneerd kapitein in het leger heeft hij zich hier gevestigd zoals meerdere familieleden. In 1811 werd hij de maire van Cuijk als opvolger van Laurens van Spengler. Ook na de val van Frankrijk bleef hij in functie, nu als burgemeester tot 1821.

In 1833 schonk hij het koperen doopbekken aan de preekstoel. Zijn kleindochter Suzanne werd als eerste hieruit gedoopt op 14 april 1833. 

Deel 6: Over de kerkbouw en het geld. 

Na de toezegging van 6000 gulden subsidie voor de kerk ging men vlot aan de slag. De aannemer Meeusen uit Grave kreeg de opdracht om voor 6800 gulden de kerk te bouwen en op 12 juli 1809 lag officieel de eerste steen in de grond. Voor de financiering was het wachten op de uitbetaling van de subsidie.

De economie van het Koninkrijk Holland stond er beroerd voor. Er waren grote tekorten op de begroting en enorme schulden. De zeer bekwame minister van financiën Gogel had daarnaast ook te maken met de in zijn ogen te grote luxe en spilzucht van koning Lodewijk.

In mei 1809 trad Gogel zelfs om die reden af. 

De regering betaalde een deel van haar verplichtingen in de vorm van schuldbekentenissen. Die werden verhandeld door effectenhuizen, on andere Cuijk van Mierop & Tetterode, een nazaat van Jan van Cuijk! Door de sterke waardevermindering van het geld daalden de koersen van de effecten snel. 

De toegezegde subsidie kwam maar niet af en de aannemer wilde geld zien. Daarom reisde dominee Traus op 7 september persoonlijk af naar Amsterdam om de “subsidie te bewerken en bekomen”. Op 11 september keerde hij terug met drie 7% Recipissen 1808 (schuldbekentenissen) groot 1000 gulden. Ze worden in Nijmegen verkocht en brengen 2437,50 gulden op. Daarmee wordt de eerste termijn van de aannemer op 18 september betaald.

Tekenend voor de situatie is wel dat de koers van deze 7% waardepapieren in 5 maanden tijd daalde van koers 88 naar 81. 

De financiële toestand is helemaal hopeloos als blijkt in begin 1810 dat de andere helft van de subsidie oninbaar is. Om de bouw van de kerk toch te kunnen laten doorgaan wordt de financiering gered door bij derden geld te lenen en door voorschotten van de diaconie, alles tegen een rente van 3,5% per jaar. 

Bij de “overdracht” van de Martinuskerk zou een schadeloosstelling worden ontvangen. Over de hoogte daarvan werd men het niet eens. Uiteindelijk werd in 1818 (!!) een overeenkomst getekend waarbij 1250 gulden als afkoop werd ontvangen van de parochie. 

Uit een archiefstuk van 1825 blijkt dat men via een request (verzoek) aan koning Willem I vraagt om ondersteuning tot oplossing van de financiële problemen. Met een gift van 1650 gulden van de koning in 1830 en een jaarlijkse afbetaling aan de diaconie hoopte men in 1848 klaar te zijn (bijna 40 jaar na dato). 

De totale kosten van de bouw bedroegen 6922 gulden. Waarschijnlijk is bezuinigd op het bestek om toch met kunst en vliegwerk de kerk te bouwen.

En dat is niet zo verwonderlijk bij een financiële ramp zoals in 1810. 

Deel 7. Van een grote kerk naar een klein pakhuisje. 

Na de intocht van de Fransen (12 september 1794 in Cuijk) en de instelling van een voorlopig bestuur kwamen al vlug de in Brabant levende politieke idealen naar boven. In juni 1795 reisde een Brabantse comissie naar Den Haag om te onderhandelen over de gewestelijke souvereiniteit en recht over de kerkgebouwen en overige kerkelijke goederen die al 1 ½ eeuw in handen waren van 10% van de bevolking. 

De missie had pas succes op 1 maart 1796 toen de staten-generaal voor het eerst bijeen kwamen. Er waren 126 afgevaardigden, een uit elk kiesdistrict van ca. 15000 inwoners. Daarvan waren 14 afgevaardigden uit Brabant. 

Een belangrijk decreet werd op 5 augustus 1796 genomen: “dat er voortaan geen heersende of bevoorrechte kerk meer zou kunnen bestaan”. Ook kwam er een verbod op uiterlijke tekens van kerk activiteiten buiten de muren van de kerk, en op het luiden van de klokken voor de aanvang van de kerkdienst.

In het dagboek van Jan Verhoeven uit Cuijk vinden we daarover de volgende aantekening: “ 1796 4 sept. Is ’t luijen verboden voor godsdienst en de dominee’s mogen niet meer met de bef naar de kerk gaan”. (de bef is de witte strik op het lange zwarte ambtskleed, de toga). 

De onteigening van de kerk.

De landelijke en Brabantse ontwikkelingen misten hun gevolgen in Cuijk niet. Op 20 juni 1795 heeft de koster op last van de municipaliteit (de gemeenteraad) de sleutel van de toren af moeten geven. Nadien mocht hij alleen nog luiden voor niet-katholieke overledenen. Per dezelfde datum heeft de sociëteit “toestemming gekregen voor het luiden van de klokken voor Heilig Avent ’s mergens en ’s middags en voor de Heilige Godsdiens.”. Deze plaatselijke acties waren dus al aan de gang een jaar voordag landelijk richtlijnen waren gegeven en beslissingen genomen. Dat is waarschijnlijk te danken aan de voortvarende pastoor Kerstjens. 

In 1798 besluit het vertegenwoordigend lichaam (de volksvertegenwoordiging) tot een evenredige verdeling van de goederen van de voormalige staatskerk tussen de plaatselijke kerkgenootschappen. In mei 1798 is in de Cuijkse gerichtskamer een vergadering uitgeschreven om de goederen naar zielental te verdelen. Namens de RK kerk was aanwezig pastoor Kerstjens, voor de protestantse gemeente de kerkvoogden Heinsius en Keetelaar. Ze voelen zich overrompeld door deze snelle actie en vragen om uitstel en tijd voor overleg met dominee Traus.

In de volgende bijeenkomsten werd getwist over de getaxeerde waarde van de goederen en de verdeelsleutel op basis van aantal leden van de kerken. Uit enkele inventarislijsten en opgaven van aantal leden hebben we zich op de indeling van de kerk en het gebruik ervan door de protestantse gemeente. 

Een door de municipaliteit voorgestelde schikking (1:16) leverde een fel protest op, ondertekend door 23 stemgerechtigde lidmaten. De sfeer van de onderhandelingen was vertroebeld. Een Haagse commissie werd ingeschakeld. In een nieuw voorstel werd een verhouding van 1:14 genoemd en een schadeloosstelling van 974,60 gulden uitgaande van een waarde van 13645 gulden. Ook hierover geen akkoord.

Het geduld raakte op. De gemeenteraad (geheel RK) greep in. Men eiste volledig financieel inzicht over de laatste 10 jaar en binnen 24 uur inlevering van alle financiele bronnen (het lijkt wel op de FIOD). 

Op 15 juli 1799 werd bepaald dat de grote kerk binnen 3 maanden moest zijn ontruimd. Toen was het voorbij.

De kroniek van Verhoeven meldt ons:

“ 13 oct. Toe hebben de Grevermeerde den laatste keer in de groote kerk gepreik en toe hebben se op den tijd de sleutels nog niet af willen geven. Toe hebben se (de Katolyke) den 22 october 1799 op moeten breken en et slot deraf gedaan en weer een neye sleutel op gemaakt”. 

In de kerkenraadsvergadering van 16 october 1799 werd “ goedgevonden den heer W.M.Bakker te verzoeken uit lievde voor den Godsdienst en voor de gemeente zijn pakhuis tot de openbare bijeenkomsten te willen inruimen, hetgeen die Heer dan ook heeft ingewilligd, tegen een jaarlijkse huur van 35 gulden”. 

Het pakhuis van de heer Bakker, koopman in wijnen, groot ongeveer 6 bij 4 meter en nog geen 3 meter hoog, werd in korte tijd vertimmerd voor circa 100 gulden en op 10 november werd het met “vele aandoening van spreker en hoorders tot een bedehuis ingewijd met de woorden van de profeet Jeremias Kap. 23 vers 23-24”. 

Dominee Traus besloot het verslag met de wens “God de almachtige doe nog eens zijne hulpe zigtbaar worden tot voorspoed en zegen van onse kerk”.

Met dank aan de Protestantse gemeenschap in Cuijk http://www.protestantsekerkcuijk.nl/

 

© Paladijntje.nl 2007 alle teksten, kaarten en foto's zijn auteursrechtelijk beschermd.